Chapter, Verse
1 3, 6 | tot Holofernes gekomen, en hebben zulks geboodschapt naar
2 5, 4 | zij mij de rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet
3 5, 7 | 7 En zij hebben eerst als vreemdelingen
4 5, 8 | de weg hunner vaderen, en hebben de God des hemels aangebeden,
5 5, 8 | God die zij kenden, en die hebben hen verdreven van het aangezicht
6 5, 8 | Mesopotamië gebracht, en hebben daar vele dagen als vreemdelingen
7 5, 13| en Kades-Barneä en zij hebben verdreven allen die de woestijn
8 5, 14| 14 En zij hebben zich neergezet in het land
9 5, 15| 15 En hebben al de Esebonieten uitgeroeid
10 5, 17| 17 Hebben zij dit gehele gebergte
11 5, 18| al de Gergesenen; en zij hebben in het gebergte vele dagen
12 5, 22| zij verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem nedergezet,
13 5, 22| waar hun heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond, want
14 6, 5 | totdat ik wraak zal gedaan hebben over dat geslacht dergenen,
15 8, 25| hetgeen wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over
16 9, 3 | welke ook met uw ijver hebben geijverd, en een gruwel
17 9, 3 | geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking huns
18 9, 3 | bevlekking huns bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen,
19 9, 4 | zijn daar komen staan, en hebben gezegd: Ziet hier zijn wij.~
20 9, 8 | 8 Want zij hebben voorgenomen uw heiligdom
21 9, 15| dergenen, die geen hoop hebben.~
22 9, 18| harde raadslagen genomen hebben tegen uw verbond, en tegen
23 11, 2 | tegen hem niet opgeheven hebben, doch zij zelf hebben zich
24 11, 2 | opgeheven hebben, doch zij zelf hebben zich dit aangedaan.~
25 11, 6 | 6 Want wij hebben van uw wijsheid gehoord,
26 11, 7 | gesproken heeft in uw raad, wij hebben zijn woorden gehoord, dewijl
27 11, 7 | mannen van Bethulië gekregen hebben, en hij heeft hun aangezegd
28 11, 8 | tegen hun God gezondigd hebben.~
29 11, 9 | onbehoorlijkheid zullen hebben begaan.~
30 11, 10| zeer weinig is geworden, zo hebben zij beraadslaagd de hand
31 11, 10| aan hun lastbeesten, en hebben besloten tot spijs te gebruiken
32 11, 11| 11 Zij hebben ook voorgenomen tot spijs
33 11, 11| olie, welke zij bewaard hebben en geheiligd voor de priesters,
34 11, 12| 12 En zij hebben enigen naar Jeruzalem gezonden (
35 11, 12| die daar wonen hetzelfde hebben gedaan), die hun zouden
36 11, 12| geboodschapt zijn, en zij zullen hebben gedaan, dat zij u zullen
37 11, 14| hun zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks
38 11, 16| schapen, die geen herder hebben, en daar zal niet een hond
39 12, 4 | dienstmaagd zal niet opgeteerd hebben hetgeen ik bij mij heb,
40 12, 4 | zal door mijn hand gedaan hebben, hetgeen Hij heeft beraadslaagd.~
41 12, 11| gemeenschap met haar te hebben, want zo wij haar niet tot
42 12, 16| met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene
43 14, 15| uit roepende: Die slaven hebben trouweloos gehandeld: een
44 16, 8 | de kinderen der Titanen hebben hem niet verslagen, en de
45 16, 8 | verslagen, en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen, maar
46 16, 11| Haar schone pantoffelen hebben zijn oog weggerukt, en haar
47 16, 14| zonen der jonge vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen
48 16, 14| kinderen der overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn
49 16, 27| velen begeerden haar te hebben, maar geen man bekende haar
|