Chapter, Verse
1 2, 11| voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen,
2 4, 2 | gevangenis, en het ganse volk was kort tevoren vergaderd
3 4, 7 | Joakim, en de raad des gansen volk Israëls, die binnen Jeruzalem
4 4, 15| 15 En het volk vastte vele dagen lang in
5 5, 3 | gij kinderen Kanaäns, wat volk dit is, dat zich op dit
6 5, 5 | waarheid verhalen van dit volk, dat nabij u woont, en dit
7 5, 6 | 6 Dit volk komt af van de Chaldeeën.~
8 5, 23| heer, zo er misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen tegen
9 5, 24| ongerechtigheid onder hun volk is, zo ga, mijn heer, hen
10 5, 25| woorden te spreken, dat al het volk murmureerde, hetwelk de
11 5, 26| Israëls, want ziet het is een volk waarin geen kracht is, noch
12 6, 1 | tot Achior, voor het ganse volk der uitlanders en tot alle
13 6, 5 | mijns heerlegers, en het volk mijner dienstknechten tussen
14 6, 12| in het midden van al hun volk, en Ozias vraagde wat hem
15 6, 14| 14 En het volk, nedervallende, bad God
16 7, 1 | gehele heerleger, en al zijn volk, hetwelk tot zijn hulp in
17 7, 7 | trok weder op naar zijn volk.~
18 7, 9 | 9 Want dit volk van de kinderen Israëls
19 7, 10| niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw
20 7, 10| overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen
21 7, 13| meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias,
22 7, 15| stad over tot buit aan het volk van Holofernes, en aan al
23 7, 20| doen. En zo heeft hij het volk doen scheiden elk naar zijn
24 8, 10| gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt
25 8, 17| is, noch geslacht, noch volk, noch stad onder ons, welke
26 8, 25| uwer dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, gelijkerwijs
27 8, 25| harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft
28 9, 19| maak, dat men onder al uw volk en alle stammen wete en
29 10, 16| tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zodanige
30 11, 2 | 2 En nu, indien uw volk, dat op dit gebergte woont,
31 11, 11| welke zelfs niemand uit het volk met de handen betaamt aan
32 11, 20| welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft afgezonden, opdat
33 13, 21| 21 En al het volk ontzette zich zeer, en zich
34 13, 22| huidige dag de vijanden van uw volk teniet hebt gemaakt.~
35 13, 26| 26 En al het volk zeide: Het zij alzo! het
36 14, 6 | spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief
37 14, 15| niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven
38 15, 11| eeuwigen tijde, en al het volk zeide: Het zij alzo!~
39 15, 12| 12 En al het volk plunderde het leger, dertig
40 15, 15| zij ging voor het ganse volk in de rei, leidende al de
41 16, 1 | gans Israël, en het gehele volk zong deze lofzang haar na.~
42 16, 22| aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd was, offerden
43 16, 23| van Holofernes, die het volk haar gegeven had, en het
44 16, 24| 24 En het volk was vrolijk te Jeruzalem,
45 16, 27| Manasse gestorven, en tot zijn volk vergaderd was.~
|