Chapter, Verse
1 2, 4 | de koning der Assyriërs, Holofernes, de veldoverste zijns legers,
2 2, 7 | 7 En Holofernes ging uit van voor het aanschijn
3 3, 6 | 6 En die mannen zijn tot Holofernes gekomen, en hebben zulks
4 4, 1 | woonden, hoorden al wat Holofernes, de krijgsoverste des konings
5 5, 1 | 1 EN het werd Holofernes, de krijgsoverste van het
6 5, 26| 26 En de geweldigen van Holofernes, en die het land aan de
7 5, 27| zullen wij optrekken heer Holofernes en zij zullen een aas zijn
8 6, 1 | vergadering waren, ophield, zo zei Holofernes de overste des heerlegers
9 6, 7 | 7 En Holofernes beval zijn knechten, die
10 6, 13| woorden van de raad van Holofernes en al de woorden die hij
11 6, 13| Assur; wat hoogmoedige taal Holofernes had gesproken tegen het
12 7, 1 | des anderen daags gebood Holofernes zijn gehele heerleger, en
13 7, 6 | Maar de tweede dag voerde Holofernes al zijn ruiters uit, voor
14 7, 11| deze hun woorden behaagden Holofernes, en al zijn dienstknechten,
15 7, 15| tot buit aan het volk van Holofernes, en aan al zijn heerkracht.~
16 10, 13| kom tot het aangezicht van Holofernes de veldoverste uws legers,
17 10, 16| brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop
18 10, 16| stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap
19 10, 17| 17 En de kamerlingen van Holofernes, en al zijn dienaars kwamen
20 10, 18| 18 En Holofernes rustte op zijn bed onder
21 11, 1 | 1 EN Holofernes zeide tot haar: Heb goede
22 11, 18| Deze haar redenen behaagden Holofernes en al zijn dienstknechten,
23 11, 20| 20 En Holofernes zeide. tot haar: God heeft
24 12, 3 | 3 En Holofernes zeide tot haar: Maar wanneer
25 12, 5 | 5 En de dienaars van Holofernes brachten haar in de tent,
26 12, 6 | 6 En zij zond tot Holofernes, zeggende: Mijn heer beveel
27 12, 6 | tot het gebed uitga; en Holofernes beval zijn lijfwachten,
28 12, 10| geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte,
29 12, 12| 12 En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zeide:
30 12, 15| spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde, de vellen,
31 12, 16| 16 En het hart van Holofernes ontzette zich tegen haar,
32 12, 17| 17 En Holofernes zeide tot haar: Drink toch,
33 12, 20| 20 En Holofernes was vrolijk over haar, en
34 13, 3 | 3 En Holofernes was voorover op zijn bed
35 13, 7 | sponde van het bed, die aan Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn
36 13, 11| dienstmaagd het hoofd van Holofernes over, en die stak het in
37 13, 19| En zij trok het hoofd van Holofernes uit de zak, en toonde het,
38 13, 19| Ziet hier het hoofd van Holofernes, de veldoverste van het
39 14, 4 | gelijkelijk lopen tot de tent van Holofernes, en zullen hem niet vinden,
40 14, 6 | nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een
41 14, 8 | hingen zij het hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle
42 14, 9 | zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die
43 14, 15| Nabuchodonosors, want ziet Holofernes ligt ter aarde, en zijn
44 15, 13| gaven aan Judith de tent van Holofernes, en al het zilverwerk, en
45 16, 23| de tempel al de vaten van Holofernes, die het volk haar gegeven
|