Chapter, Verse
1 1, 6 | Ragan; en bij hem voegden zich allen, die aan dat gebergte
2 1, 11| deden zijn boden ledig van zich wederkeren met schande.~
3 1, 12| zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over al
4 2, 5 | landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij
5 2, 11| 11 En hij begaf zich met zijn ganse leger op
6 5, 1 | dat de kinderen Israëls zich bereiden tot de krijg, en
7 5, 3 | Kanaäns, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt,
8 5, 14| 14 En zij hebben zich neergezet in het land der
9 5, 22| verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem nedergezet,
10 7, 3 | 3 En zij legerden zich in het dal bij Bethulië
11 7, 3 | fontein, en zij strekten zich uit in de breedte naar Dothaïm
12 7, 9 | kinderen Israëls verlaat zich niet op hun spiesen, maar
13 7, 12| leger der Assyriërs legde zich neder in het vlakke veld,
14 8, 7 | en akkers, en zij hield zich daar op.~
15 8, 9 | gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin,
16 8, 10| binnen deze dagen de Here zich niet wendt om ons te helpen.~
17 8, 24| huns harten, zo wreekt hij zich niet over ons, maar de Here
18 10, 2 | beneden in het huis, waar zij zich ophield in de dagen der
19 10, 4 | haar sieraad, en versierde zich zeer, tot bedrog van de
20 10, 7 | was, zo verwonderden zij zich uitermate zeer over haar
21 10, 16| weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden
22 10, 16| schoonheid, en zij verwonderden zich over de kinderen Israëls
23 10, 16| dat zodanige vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet
24 10, 19| dienaren kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid
25 11, 2 | hebben, doch zij zelf hebben zich dit aangedaan.~
26 11, 13| dingen te doen, waarover zich in het gehele aardrijk zullen
27 11, 18| dienstknechten, en zij verwonderden zich over haar wijsheid, en zeiden:~
28 12, 7 | van Bethulië, en zij wies zich in het leger, in de waterfonteinen.~
29 12, 12| Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn
30 12, 15| stond zij op en versierde zich met haar kleding, en met
31 12, 16| van Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel
32 13, 1 | geworden was, zo haastten zich zijn dienstknechten om te
33 13, 1 | buiten toe, en deed van zich gaan allen, die voor zijn
34 13, 14| haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af te komen
35 13, 21| En al het volk ontzette zich zeer, en zich nederbuigende,
36 13, 21| volk ontzette zich zeer, en zich nederbuigende, aanbaden
37 14, 6 | uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal
38 14, 15| ging in de tent waar Judith zich ophield, en vond haar niet,
39 15, 1 | dat hoorden, ontzetten zij zich over hetgeen geschied was,
40 15, 2 | van het gebergte; en die zich gelegerd hadden op het gebergte
41 15, 7 | beroofden hen, en verrijkten zich daarbij zeer.~
42 15, 14| zegenden haar, en zij maakten zich een rei uit haar midden.~
43 15, 15| haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar
44 16, 12| stoutheid, en de Meden ontzetten zich over haar dapperheid.~
|