Chapter, Verse
1 2, 5 | ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij
2 2, 5 | tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse
3 2, 5 | bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen
4 2, 6 | dat zal ik ook doen door mijn hand; en gij zult niet een
5 5, 24| onder hun volk is, zo ga, mijn heer, hen voorbij, opdat
6 6, 5 | ongerechtigheid, gij zult mijn aangezicht niet meer zien,
7 6, 6 | 6 En mijn knechten zullen u brengen
8 7, 8 | lands aan de zee, en zeiden: Mijn heer hore toch een woord,
9 8, 28| poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit gaan,
10 8, 28| zal de Here Israël door mijn hand bezoeken.~
11 9, 3 | helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die
12 9, 12| 12 En geef mijn hand (ik, die een weduwe
13 9, 13| 13 Sla met mijn bedriegelijke lippen de
14 9, 17| 17 Verhoor gij toch mijn gebed,~
15 9, 18| 18 En geef dat mijn rede en mijn bedrog hun
16 9, 18| En geef dat mijn rede en mijn bedrog hun tot een wonde
17 11, 2 | niet veracht had, ik zou mijn spies tegen hem niet opgeheven
18 11, 4 | spreken, en ik zal deze nacht mijn heer geen leugen boodschappen.
19 11, 4 | u volkomen uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen
20 11, 9 | 9 Maar nu, opdat mijn heer niet tevergeefs en
21 11, 14| nu ik zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd
22 11, 17| zijn mij aangezegd naar mijn voorwetenschap, en zijn
23 11, 20| kracht zij, en degenen die mijn heer verachten, verdorven
24 11, 21| gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en gij zult in
25 12, 4 | waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer, uw dienstmaagd zal
26 12, 4 | heb, of de Here zal door mijn hand gedaan hebben, hetgeen
27 12, 6 | tot Holofernes, zeggende: Mijn heer beveel toch, dat men
28 12, 12| zich niet bezware zelf tot mijn heer te komen, om door zijn
29 12, 13| tot hem: Wie ben ik, die mijn heer zou tegenspreken?~
30 12, 18| Heer, ik wil drinken, want mijn leven is op deze dag meer
31 13, 6 | erve te hulp te komen, en mijn aanslag uit te voeren, tot
32 13, 18| onze vijanden verwond door mijn hand, in deze nacht.~
33 13, 20| die mij bewaard heeft in mijn weg, die ik heengegaan ben,
34 13, 20| die ik heengegaan ben, dat mijn aangezicht hem heeft verleid
35 16, 2 | Heren met tambourijn; zing mijn Here met cimbalen, en dicht
36 16, 6 | 6 Hij zeide, dat hij mijn landpalen zou verbranden,
37 16, 6 | zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen zou ombrengen
38 16, 6 | ombrengen door het zwaard, en mijn zuigelingen tegen de aarde
39 16, 6 | tegen de aarde slaan, en mijn jonge kinderen tot buit
40 16, 6 | kinderen tot buit geven, en mijn maagden wegroven.~
41 16, 13| 13 Toen juichten mijn nederigen, en riepen mijn
42 16, 13| mijn nederigen, en riepen mijn zwakken, en zij zijn verbaasd
43 16, 15| 15 Ik zal mijn God een lofzang zingen.~
44 16, 20| Wee de volken, die tegen mijn geslacht opstaan, de Here,
|