Chapter, Verse
1 4, 1 | 1 EN de kinderen Israëls, die in Judea woonden, hoorden
2 4, 7 | 7 En de kinderen Israëls deden naar dat de hogepriester
3 4, 7 | de raad des gansen volk Israëls, die binnen Jeruzalem woonden,
4 4, 8 | 8 En al de mannen Israëls riepen tot God met grote
5 4, 10| 10 En alle mannen Israëls en vrouwen, ook de kinderen,
6 4, 13| en met ernst tot de God Israëls, dat hij toch hun jonge
7 4, 17| dat hij het gehele huis Israëls ten goede bezoeken wilde.~
8 5, 1 | geboodschapt dat de kinderen Israëls zich bereiden tot de krijg,
9 5, 26| vrezen niet voor de kinderen Israëls, want ziet het is een volk
10 6, 2 | hebt, dat wij het geslacht Israëls niet zouden beoorlogen,
11 6, 7 | in de handen der kinderen Israëls.~
12 6, 10| 10 Maar de kinderen Israëls kwamen nederwaarts tot hem
13 6, 13| gesproken tegen het huis Israëls.~
14 6, 18| 18 En zij riepen de God Israëls aan om hulp, die gehele
15 7, 1 | en dat men de kinderen Israëls de krijg zou aandoen.~
16 7, 4 | 4 De kinderen Israëls nu als zij hun menigte zagen,
17 7, 6 | het gezicht der kinderen Israëls, die te Bethulië waren,
18 7, 9 | dit volk van de kinderen Israëls verlaat zich niet op hun
19 7, 12| fonteinen van de kinderen Israëls eerst in, en de kinderen
20 7, 13| 13 En de kinderen Israëls riepen tot de Here hun God,
21 8, 6 | der vreugde van het huis Israëls.~
22 9, 16| gij God van het erfdeel Israëls, gij Here des hemels en
23 9, 19| beschutter van het geslacht Israëls is dan gij.~
24 10, 1 | ophield van roepen tot de God Israëls, en al deze woorden geëindigd
25 10, 8 | tot roem van de kinderen Israëls en verhoging van Jeruzalem.
26 10, 16| verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil, en de een
27 12, 8 | bad zij de Here, de God Israëls, dat Hij haar weg richten
28 13, 8 | 8 Sterk mij, o God Israëls, op deze dag.~ groot~kaartje ~ ~
29 13, 18| barmhartigheid van het huis Israëls niet afwendt, maar hij heeft
30 14, 5 | die in de gehele landpale Israëls wonen, en zult hen nedervellen
31 14, 6 | kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem
32 14, 7 | ziende al hetgeen de God Israëls gedaan had, geloofde zeer
33 14, 7 | voorhuid, en werd tot het huis Israëls toegevoegd tot op deze dag.~
34 14, 8 | muur uit, en alle mannen Israëls namen hun wapenen, en vielen
35 15, 3 | strijdbare mannen van de kinderen Israëls.~
36 15, 5 | 5 Als nu de kinderen Israëls zulks gehoord hadden, vielen
37 15, 8 | 8 En de kinderen Israëls wedergekeerd zijnde van
38 15, 9 | de raad van de kinderen Israëls, die te Jeruzalem hun woning
39 15, 11| 11 Gij zijt de verhoging Israëls, gij zijt een grote heerlijkheid
40 15, 11| zijt een grote heerlijkheid Israëls. Gij zijt een grote roem
41 15, 14| 14 En al de vrouwen Israëls liepen te zamen om haar
42 15, 15| vrouwen, en alle mannen Israëls volgden gewapend met kransen,
43 16, 28| man Manasse, en het huis Israëls droeg zeven dagen lang rouw
44 16, 30| niemand meer, die de kinderen Israëls enige vrees aandeed, in
|