Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
maan 2
maand 2
maanden 2
maar 42
macht 9
machteloos 1
machtig 1
Frequency    [«  »]
44 israëls
44 mijn
44 zich
42 maar
42 naar
41 ik
41 over

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

maar

   Chapter, Verse
1 1, 11| want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een 2 2, 6 | 6 Maar de ongehoorzamen zal uw 3 2, 6 | woorden uws heren overtreden, maar zult het gans volbrengen, 4 5, 20| 20 Maar toen zij afgeweken zijn 5 5, 24| 24 Maar zo daar geen ongerechtigheid 6 6, 3 | zal hen niet verlossen, maar wij die zijn knechten zijn 7 6, 3 | paarden niet wederstaan, maar wij zullen hen daarmee vertreden.~ 8 6, 4 | bestaan voor ons aanschijn, maar zij zullen ganselijk omkomen. 9 6, 9 | 9 Maar zij, bedekt onder aan de 10 6, 10| 10 Maar de kinderen Israëls kwamen 11 7, 6 | 6 Maar de tweede dag voerde Holofernes 12 7, 9 | zich niet op hun spiesen, maar op de hoogte van hun bergen, 13 7, 10| uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al 14 7, 10| mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein 15 7, 14| er geen helper voor ons, maar God heeft ons in hun handen 16 8, 12| de Here, de Almachtige, maar zult in der eeuwigheid niets 17 8, 19| 19 Maar wij erkennen geen andere 18 8, 20| gericht worden tot genade, maar de Here, onze God, zal ze 19 8, 24| hij zich niet over ons, maar de Here kastijdt degenen, 20 8, 25| heden niet eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen 21 8, 25| bedenking uws harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst 22 9, 15| vermogen in de geweldigen, maar gij zijt een God der nederigen; 23 10, 16| niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, 24 11, 3 | 3 Maar nu, zeg mij, waarom gij 25 11, 3 | die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, 26 11, 5 | mensen door u hem dienen, maar ook de dieren des velds 27 11, 7 | verwerp zijn rede niet, maar laat ze u ter harte gaan, 28 11, 9 | 9 Maar nu, opdat mijn heer niet 29 12, 2 | 2 Maar Judith zeide: Ik zal daarvan 30 12, 2 | aanstoot daaruit ontsta, maar uit hetgeen mij volgt, zal 31 12, 3 | Holofernes zeide tot haar: Maar wanneer het op zal zijn, 32 13, 17| 17 Maar zij sprak tot hen met luider 33 13, 18| huis Israëls niet afwendt, maar hij heeft onze vijanden 34 13, 25| vernedering wil van ons geslacht, maar zijt onze val tegengegaan, 35 14, 2 | der kinderen van Assur, maar gij zult niet henen afgaan.~ 36 14, 6 | 6 Maar eer gij dat doet, zo roept 37 14, 6 | is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden 38 15, 2 | aanschijn zijns naasten, maar liepen weg, en vluchtten 39 16, 8 | hebben hem niet aangegrepen, maar Judith, de dochter van Merari, 40 16, 19| 19 Maar gij zult genadig zijn degenen 41 16, 19| brandoffer is het allerminste, maar die de Here vreest is altijd 42 16, 27| begeerden haar te hebben, maar geen man bekende haar al


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License