Chapter, Verse
1 1, 11| want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een
2 2, 6 | 6 Maar de ongehoorzamen zal uw
3 2, 6 | woorden uws heren overtreden, maar zult het gans volbrengen,
4 5, 20| 20 Maar toen zij afgeweken zijn
5 5, 24| 24 Maar zo daar geen ongerechtigheid
6 6, 3 | zal hen niet verlossen, maar wij die zijn knechten zijn
7 6, 3 | paarden niet wederstaan, maar wij zullen hen daarmee vertreden.~
8 6, 4 | bestaan voor ons aanschijn, maar zij zullen ganselijk omkomen.
9 6, 9 | 9 Maar zij, bedekt onder aan de
10 6, 10| 10 Maar de kinderen Israëls kwamen
11 7, 6 | 6 Maar de tweede dag voerde Holofernes
12 7, 9 | zich niet op hun spiesen, maar op de hoogte van hun bergen,
13 7, 10| uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al
14 7, 10| mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein
15 7, 14| er geen helper voor ons, maar God heeft ons in hun handen
16 8, 12| de Here, de Almachtige, maar zult in der eeuwigheid niets
17 8, 19| 19 Maar wij erkennen geen andere
18 8, 20| gericht worden tot genade, maar de Here, onze God, zal ze
19 8, 24| hij zich niet over ons, maar de Here kastijdt degenen,
20 8, 25| heden niet eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen
21 8, 25| bedenking uws harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst
22 9, 15| vermogen in de geweldigen, maar gij zijt een God der nederigen;
23 10, 16| niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden,
24 11, 3 | 3 Maar nu, zeg mij, waarom gij
25 11, 3 | die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen,
26 11, 5 | mensen door u hem dienen, maar ook de dieren des velds
27 11, 7 | verwerp zijn rede niet, maar laat ze u ter harte gaan,
28 11, 9 | 9 Maar nu, opdat mijn heer niet
29 12, 2 | 2 Maar Judith zeide: Ik zal daarvan
30 12, 2 | aanstoot daaruit ontsta, maar uit hetgeen mij volgt, zal
31 12, 3 | Holofernes zeide tot haar: Maar wanneer het op zal zijn,
32 13, 17| 17 Maar zij sprak tot hen met luider
33 13, 18| huis Israëls niet afwendt, maar hij heeft onze vijanden
34 13, 25| vernedering wil van ons geslacht, maar zijt onze val tegengegaan,
35 14, 2 | der kinderen van Assur, maar gij zult niet henen afgaan.~
36 14, 6 | 6 Maar eer gij dat doet, zo roept
37 14, 6 | is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden
38 15, 2 | aanschijn zijns naasten, maar liepen weg, en vluchtten
39 16, 8 | hebben hem niet aangegrepen, maar Judith, de dochter van Merari,
40 16, 19| 19 Maar gij zult genadig zijn degenen
41 16, 19| brandoffer is het allerminste, maar die de Here vreest is altijd
42 16, 27| begeerden haar te hebben, maar geen man bekende haar al
|