Chapter, Verse
1 1, 1 | Arfaxad, welke regeerde over de Meden te Ecbatana,~
2 1, 9 | waren, en tot hun steden, en over de Jordaan tot Jeruzalem
3 1, 12| hij zich zeker wreken zou over al de landpalen van Cilicië,
4 2, 1 | Assyriërs, van wraak te oefenen over het ganse land, gelijk hij
5 2, 13| lands Chellon, en hij trok over de Eufraat, en trok door
6 2, 17| klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde
7 6, 5 | wraak zal gedaan hebben over dat geslacht dergenen, die
8 6, 15| hun hoogmoed, en ontferm u over de vernedering van ons geslacht,
9 7, 10| kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld
10 7, 15| en geeft de gehele stad over tot buit aan het volk van
11 7, 19| God zijn barmhartigheid over ons zal wenden, want hij
12 7, 20| voorbijgaan, en geen hulp over ons komt, zo zal ik naar
13 8, 9 | hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs,
14 8, 9 | zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld
15 8, 24| zo wreekt hij zich niet over ons, maar de Here kastijdt
16 8, 25| hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen, die
17 8, 28| de stad aan onze vijanden over te geven, zal de Here Israël
18 8, 30| God ga voor u tot wraak over onze vijanden. En zij keerden
19 9, 2 | hand gegeven hebt tot wraak over de vreemden, die de schoot
20 9, 3 | een gruwel gehad hebben over de bevlekking huns bloeds,
21 9, 11| 11 Zend uw toorn over hun hoofden,~
22 10, 7 | zij zich uitermate zeer over haar schoonheid.~
23 10, 16| En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij
24 10, 16| en zij verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil,
25 10, 19| verwonderden zij zich allen over de schoonheid haars aanschijns,
26 11, 8 | 8 Want over ons geslacht wordt geen
27 11, 9 | zijn, zo is de dood hun over het aanschijn gevallen,
28 11, 18| en zij verwonderden zich over haar wijsheid, en zeiden:~
29 12, 10| niemand daartoe dergenen, die over de gemene zaken waren, en
30 12, 10| Bagoas de kamerling, welke over alles gesteld was dat hem
31 12, 15| spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde,
32 12, 20| En Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel
33 13, 11| het hoofd van Holofernes over, en die stak het in de zak
34 13, 13| degenen, die de wacht hadden over de poorten: Doet open! doet
35 14, 9 | kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had, en
36 14, 9 | en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:~
37 14, 15| heeft schaamte gebracht over het huis des konings Nabuchodonosors,
38 15, 1 | hoorden, ontzetten zij zich over hetgeen geschied was, en
39 16, 12| de Meden ontzetten zich over haar dapperheid.~
40 16, 20| Here, de almachtige, zal over hen wraak doen, in de dag
41 16, 28| droeg zeven dagen lang rouw over haar.~
|