Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
iets 2
ijdel 1
ijver 1
ik 41
in 181
indien 6
ingang 1
Frequency    [«  »]
44 zich
42 maar
42 naar
41 ik
41 over
40 deze
40 here

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

ik

   Chapter, Verse
1 2, 5 | zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken 2 2, 5 | uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht 3 2, 5 | voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot 4 2, 5 | doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren 5 2, 6 | land; want zo zeker als ik leef, en de macht mijns 6 2, 6 | mijns koninkrijks, al wat ik gesproken heb, dat zal ik 7 2, 6 | ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn hand; 8 2, 6 | gans volbrengen, gelijk ik u bevolen heb, en gij zult 9 5, 5 | de mond uws knechts, en ik zal u de waarheid verhalen 10 6, 5 | van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben 11 6, 5 | onder hun gekwetsten, als ik tot u zal wedergekeerd zijn.~ 12 6, 6 | aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken, en geen 13 7, 20| hulp over ons komt, zo zal ik naar uw woorden doen. En 14 8, 27| zeide tot hen: Hoort mij en ik zal een werk doen, hetwelk 15 8, 28| nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd 16 8, 29| zult niet onderzoeken wat ik doen zal, want ik zal u 17 8, 29| onderzoeken wat ik doen zal, want ik zal u niet zeggen wat ik 18 8, 29| ik zal u niet zeggen wat ik doe, totdat het zal volbracht 19 9, 12| 12 En geef mijn hand (ik, die een weduwe ben) de 20 9, 12| weduwe ben) de sterkte, die ik bedacht heb.~ 21 10, 9 | stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen 22 10, 12| 12 En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse vrouw, 23 10, 13| 13 En ik kom tot het aangezicht van 24 10, 13| woorden te boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen, 25 11, 1 | zij niet bevreesd, want ik heb geen mens leed gedaan, 26 11, 2 | woont, mij niet veracht had, ik zou mijn spies tegen hem 27 11, 4 | uw aanschijn spreken, en ik zal deze nacht mijn heer 28 11, 13| 13 Daarom, ik, uw dienstmaagd, dit alles 29 11, 14| de God des hemels. En nu ik zal bij u blijven, mijn 30 11, 14| nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij 31 11, 14| zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks aanbrengen, 32 11, 15| 15 En ik zal u leiden door het midden 33 11, 16| 16 En ik zal uw stoel in het midden 34 11, 17| zijn mij geboodschapt, en ik ben gezonden om die u weder 35 12, 2 | 2 Maar Judith zeide: Ik zal daarvan niet eten, opdat 36 12, 4 | opgeteerd hebben hetgeen ik bij mij heb, of de Here 37 12, 13| Judith zeide tot hem: Wie ben ik, die mijn heer zou tegenspreken?~ 38 12, 14| zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig doen; en dit zal 39 12, 18| Judith zeide: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven 40 13, 20| bewaard heeft in mijn weg, die ik heengegaan ben, dat mijn 41 16, 15| 15 Ik zal mijn God een lofzang


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License