Chapter, Verse
1 2, 5 | zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken
2 2, 5 | uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht
3 2, 5 | voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot
4 2, 5 | doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren
5 2, 6 | land; want zo zeker als ik leef, en de macht mijns
6 2, 6 | mijns koninkrijks, al wat ik gesproken heb, dat zal ik
7 2, 6 | ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn hand;
8 2, 6 | gans volbrengen, gelijk ik u bevolen heb, en gij zult
9 5, 5 | de mond uws knechts, en ik zal u de waarheid verhalen
10 6, 5 | van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben
11 6, 5 | onder hun gekwetsten, als ik tot u zal wedergekeerd zijn.~
12 6, 6 | aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken, en geen
13 7, 20| hulp over ons komt, zo zal ik naar uw woorden doen. En
14 8, 27| zeide tot hen: Hoort mij en ik zal een werk doen, hetwelk
15 8, 28| nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd
16 8, 29| zult niet onderzoeken wat ik doen zal, want ik zal u
17 8, 29| onderzoeken wat ik doen zal, want ik zal u niet zeggen wat ik
18 8, 29| ik zal u niet zeggen wat ik doe, totdat het zal volbracht
19 9, 12| 12 En geef mijn hand (ik, die een weduwe ben) de
20 9, 12| weduwe ben) de sterkte, die ik bedacht heb.~
21 10, 9 | stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen
22 10, 12| 12 En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse vrouw,
23 10, 13| 13 En ik kom tot het aangezicht van
24 10, 13| woorden te boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen,
25 11, 1 | zij niet bevreesd, want ik heb geen mens leed gedaan,
26 11, 2 | woont, mij niet veracht had, ik zou mijn spies tegen hem
27 11, 4 | uw aanschijn spreken, en ik zal deze nacht mijn heer
28 11, 13| 13 Daarom, ik, uw dienstmaagd, dit alles
29 11, 14| de God des hemels. En nu ik zal bij u blijven, mijn
30 11, 14| nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij
31 11, 14| zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks aanbrengen,
32 11, 15| 15 En ik zal u leiden door het midden
33 11, 16| 16 En ik zal uw stoel in het midden
34 11, 17| zijn mij geboodschapt, en ik ben gezonden om die u weder
35 12, 2 | 2 Maar Judith zeide: Ik zal daarvan niet eten, opdat
36 12, 4 | opgeteerd hebben hetgeen ik bij mij heb, of de Here
37 12, 13| Judith zeide tot hem: Wie ben ik, die mijn heer zou tegenspreken?~
38 12, 14| zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig doen; en dit zal
39 12, 18| Judith zeide: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven
40 13, 20| bewaard heeft in mijn weg, die ik heengegaan ben, dat mijn
41 16, 15| 15 Ik zal mijn God een lofzang
|