Chapter, Verse
1 3, 4 | 4 Ziet, al onze landhuizen, en al onze plaatsen,
2 3, 4 | al onze landhuizen, en al onze plaatsen, en al onze korenvelden,
3 3, 4 | al onze plaatsen, en al onze korenvelden, en al ons klein
4 3, 5 | 5 Ziet, ook onze steden, en die daarin wonen,
5 6, 3 | zij zullen de kracht van onze paarden niet wederstaan,
6 7, 16| hun tot knechten zijn, en onze ziel zal leven, en wij zullen
7 7, 16| zal leven, en wij zullen onze jonge kinderen met onze
8 7, 16| onze jonge kinderen met onze ogen niet zien sterven,
9 7, 16| sterven, en de zielen van onze vrouwen en kinderen versmachten.~
10 7, 17| de hemel en de aarde, en onze God en Here onzer vaderen,
11 7, 17| vaderen, die ons vergeldt naar onze misdaden, en naar de misdaden
12 7, 19| blijven, waarin de Here onze God zijn barmhartigheid
13 8, 10| stad zult overgeven aan onze vijanden, indien binnen
14 8, 14| broeders, verwekt de Here, onze God, niet tot gramschap.
15 8, 15| raadslagen van de Here, onze God, niet ten pand, want
16 8, 16| wachten, en hem aanroepen tot onze hulp, en Hij zal onze stem
17 8, 16| tot onze hulp, en Hij zal onze stem verhoren, indien het
18 8, 17| 17 Dewijl in onze geslachten niemand is opgestaan,
19 8, 18| geschied, om welke oorzaak onze vaders ten zwaard en ten
20 8, 18| zijn, en zijn gevallen voor onze vijanden met een grote val.~
21 8, 20| meer zo genoemd worden, en onze heilige plaatsen zullen
22 8, 20| beroofd worden, en de Here, onze God, zal de ontheiliging
23 8, 20| ontheiliging derzelve van onze mond eisen, en hij zal de
24 8, 20| die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid zal niet
25 8, 20| tot genade, maar de Here, onze God, zal ze tot oneer zetten.~
26 8, 21| En nu, broeders, laat ons onze broederen een voorbeeld
27 8, 21| alles, laat ons de Here, onze God, danken die ons verzoekt,
28 8, 21| verzoekt, gelijk hij ook onze vaders verzocht heeft.~
29 8, 26| zal de regen zenden, opdat onze waterbakken vol worden,
30 8, 27| tot geslacht zal komen tot onze nakomelingen.~
31 8, 28| gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven,
32 8, 30| ga voor u tot wraak over onze vijanden. En zij keerden
33 11, 20| heeft afgezonden, opdat in onze handen kracht zij, en degenen
34 13, 13| toch de poort open, God, onze God, is met ons om nog kracht
35 13, 18| afwendt, maar hij heeft onze vijanden verwond door mijn
36 13, 22| eendrachtiglijk: Geloofd zijt gij, o onze God, die op de huidige dag
37 13, 25| ons geslacht, maar zijt onze val tegengegaan, dewijl
38 13, 25| dewijl gij oprecht voor onze God hebt gewandeld.~
39 14, 1 | dat uit, op de tinne van onze stadsmuur.~
40 14, 10| 10 Wek toch onze heer op, want de slaven
|