Chapter, Verse
1 4, 14| 14 En de Here verhoorde hun stem, en zag
2 4, 16| de priesters, die voor de Here stonden, en die de Here
3 4, 16| Here stonden, en die de Here dienden, hun lendenen met
4 4, 17| 17 En zij riepen tot de Here van ganser kracht, dat hij
5 5, 24| hen voorbij, opdat hun Here hen niet mogelijk bescherme,
6 6, 15| 15 Here, gij God des hemels, zie
7 7, 13| kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest
8 7, 17| de aarde, en onze God en Here onzer vaderen, die ons vergeldt
9 7, 18| en zij riepen tot God de Here met luider stem.~
10 7, 19| standvastig blijven, waarin de Here onze God zijn barmhartigheid
11 8, 10| indien binnen deze dagen de Here zich niet wendt om ons te
12 8, 12| En gij onderzoekt nu de Here, de Almachtige, maar zult
13 8, 14| alzo, broeders, verwekt de Here, onze God, niet tot gramschap.
14 8, 15| gij de raadslagen van de Here, onze God, niet ten pand,
15 8, 20| zullen beroofd worden, en de Here, onze God, zal de ontheiliging
16 8, 20| worden tot genade, maar de Here, onze God, zal ze tot oneer
17 8, 21| Boven dit alles, laat ons de Here, onze God, danken die ons
18 8, 24| zich niet over ons, maar de Here kastijdt degenen, die hem
19 8, 26| godvrezende vrouw, en de Here zal de regen zenden, opdat
20 8, 28| vijanden over te geven, zal de Here Israël door mijn hand bezoeken.~
21 8, 30| haar: Ga in vrede, en de Here God ga voor u tot wraak
22 9, 1 | riep met luider stem tot de Here, en zeide:~
23 9, 2 | 2 Here, gij God mijns vaders Simeon,
24 9, 6 | en weten niet, dat gij de Here zijt, die de krijgen verplettert;
25 9, 6 | de krijgen verplettert; Here is uw naam.~
26 9, 16| het erfdeel Israëls, gij Here des hemels en der aarde,
27 12, 4 | hetgeen ik bij mij heb, of de Here zal door mijn hand gedaan
28 12, 8 | weder opkwam, bad zij de Here, de God Israëls, dat Hij
29 13, 6 | 6 O Here, gij God aller kracht, zie
30 13, 19| zijn dronkenschap, en de Here heeft hem geslagen door
31 13, 20| En zo waarachtig als de Here leeft, die mij bewaard heeft
32 13, 24| 24 En geloofd zij de Here God, die de hemel en de
33 15, 11| gezegend voor de Almachtige Here, ten eeuwigen tijde, en
34 16, 2 | met tambourijn; zing mijn Here met cimbalen, en dicht Hem
35 16, 3 | 3 Want de Here is een God, die de krijgen
36 16, 7 | 7 De Here, de Almachtige, heeft hen
37 16, 16| 16 Here, gij zijt groot en heerlijk,
38 16, 19| allerminste, maar die de Here vreest is altijd groot.~
39 16, 20| mijn geslacht opstaan, de Here, de almachtige, zal over
40 16, 23| een heilige gift voor de Here.~
|