Chapter, Verse
1 1, 11| kwamen bij hem niet tot deze krijg, want zij vreesden
2 1, 13| verkreeg de overhand in deze zijn krijg en versloeg de
3 2, 3 | 3 En deze oordeelden, dat men zou
4 3, 6 | zulks geboodschapt naar deze woorden.~
5 4, 1 | al hun tempels beroofd en deze overgegeven had om te vernielen.~
6 5, 25| geschiedde, als Achior ophield deze woorden te spreken, dat
7 6, 3 | 3 Deze zal zijn macht afzenden
8 6, 5 | huurling der Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt,
9 6, 5 | aangezicht niet meer zien, van deze dag aan, totdat ik wraak
10 7, 1 | hetwelk tot zijn hulp in deze krijg gekomen was, dat zij
11 7, 4 | een zeide tot de ander: Deze zullen nu het aanschijn
12 7, 4 | de heuvelen zullen onder deze last kunnen bestaan.~
13 7, 10| bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen,
14 7, 11| 11 En deze hun woorden behaagden Holofernes,
15 7, 17| opdat hij niet doe naar deze woorden op de dag van heden.~
16 7, 20| 20 Doch zo deze voorbijgaan, en geen hulp
17 8, 10| niet recht, welke gij op deze dag tegen het volk gesproken
18 8, 10| vijanden, indien binnen deze dagen de Here zich niet
19 8, 13| hoe zult gij de God die al deze dingen geschapen heeft,
20 8, 14| gramschap. Want zo hij in deze vijf dagen ons niet helpen
21 8, 28| 28 Gijlieden zult deze nacht aan de poort staan,
22 10, 1 | tot de God Israëls, en al deze woorden geëindigd had.~
23 10, 5 | vaten om en om, en legde ze deze op.~
24 10, 6 | Bethulië, en vonden aan deze staande Ozias, en de oudsten
25 10, 11| 11 Toen gingen deze in het dal recht heen en
26 11, 3 | heb goede moed, gij zult deze nacht bij het leven blijven,
27 11, 4 | aanschijn spreken, en ik zal deze nacht mijn heer geen leugen
28 11, 9 | vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid zullen
29 11, 17| 17 Want deze dingen zijn mij aangezegd
30 11, 18| 18 Deze haar redenen behaagden Holofernes
31 12, 12| vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een van
32 12, 18| drinken, want mijn leven is op deze dag meer verheven dan het
33 13, 8 | Sterk mij, o God Israëls, op deze dag.~ groot~kaartje ~ ~
34 13, 18| verwond door mijn hand, in deze nacht.~
35 14, 6 | verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith
36 14, 7 | Israëls toegevoegd tot op deze dag.~
37 14, 9 | 9 Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten
38 14, 16| het leger der Assyriërs deze woorden hoorden, zo scheurden
39 16, 1 | 1 EN Judith begon deze dankzegging te zingen onder
40 16, 1 | en het gehele volk zong deze lofzang haar na.~
|