Chapter, Verse
1 1, 6 | te dien zelven dage krijg tegen de koning Arfaxad, in dat
2 1, 7 | woonden, en tot allen die tegen het westen woonden, en die
3 1, 12| Nabuchodonosor werd zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer
4 1, 13| macht in slagorden getrokken tegen de koning Arfaxad in het
5 2, 5 | en gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het
6 2, 5 | zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn
7 2, 11| gehele aangezicht des lands tegen het westen met hun wagenen,
8 2, 13| woonden aan de woestijn tegen het zuiden des lands Chellon,
9 2, 15| landpalen van Jafet, die tegen het zuiden en tegen Arabië
10 2, 15| die tegen het zuiden en tegen Arabië liggen.~
11 5, 10| koning van Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid
12 5, 10| en gebruikte listigheid tegen hen door arbeid, en door
13 5, 19| lang zij niet zondigden tegen hun God ging het hun wel;
14 5, 23| volk is, en zo zij zondigen tegen hun God, en zo wij bemerken
15 6, 13| Holofernes had gesproken tegen het huis Israëls.~
16 7, 10| vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat
17 7, 12| zonden enigen uit de hunnen tegen het zuiden en het oosten,
18 7, 17| 17 Wij nemen tegen u tot getuigen de hemel
19 8, 9 | kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij
20 8, 9 | al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij
21 8, 10| recht, welke gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt,
22 9, 18| raadslagen genomen hebben tegen uw verbond, en tegen uw
23 9, 18| hebben tegen uw verbond, en tegen uw geheiligd thuis, en tegen
24 9, 18| tegen uw geheiligd thuis, en tegen de spits des bergs Sion,
25 9, 18| spits des bergs Sion, en tegen het huis der bezitting van
26 10, 11| der Assyriërs kwam haar tegen, en grepen haar, en vraagden
27 11, 2 | veracht had, ik zou mijn spies tegen hem niet opgeheven hebben,
28 11, 8 | het niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd hebben.~
29 11, 16| zijn, die met zijn tong tegen u zal bassen;~
30 12, 5 | middernacht; en zij stond op tegen de morgenwake.~
31 12, 9 | men haar haar spijs bracht tegen de avond.~
32 12, 16| Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd
33 13, 6 | verwondering der vijanden, die tegen ons opgestaan zijn.~
34 13, 13| te bewijzen in Israël, en tegen de vijanden, gelijk hij
35 14, 2 | zult een overste stellen tegen hen, als of gij wildet nederdalen
36 14, 2 | nederdalen in het veld, tegen de eerste wacht der kinderen
37 15, 3 | 3 En toen vielen tegen hen uit alle strijdbare
38 16, 6 | zwaard, en mijn zuigelingen tegen de aarde slaan, en mijn
39 16, 20| 20 Wee de volken, die tegen mijn geslacht opstaan, de
|