Chapter, Verse
1 2, 17| en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde
2 4, 1 | en deze overgegeven had om te vernielen.~
3 4, 4 | 4 En zij maakten muren om hun vlekken, die daarop
4 6, 18| riepen de God Israëls aan om hulp, die gehele nacht.~
5 7, 13| en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het
6 7, 13| en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken,
7 8, 5 | haar huis, en deed een zak om haar lendenen, en zij was
8 8, 10| de Here zich niet wendt om ons te helpen.~
9 8, 14| wil, hij heeft de macht om ons te beschutten in welke
10 8, 14| welke dagen hij wil, of ook om ons te verdelgen voor het
11 8, 18| vorige dagen is geschied, om welke oorzaak onze vaders
12 9, 2 | hun oversten hebt gegeven om gedood te worden, en hun
13 9, 9 | naam, en met het breekijzer om te werpen de hoorn van uw
14 10, 5 | broden, en bond al haar vaten om en om, en legde ze deze
15 10, 5 | bond al haar vaten om en om, en legde ze deze op.~
16 10, 9 | worde en ik zal uitgaan om de dingen te volbrengen,
17 10, 12| aan u overgegeven worden, om vernield te worden.~
18 10, 13| veldoverste uws legers, om hem waarachtige woorden
19 10, 16| over de kinderen Israëls om harentwil, en de een zeide
20 11, 5 | die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te
21 11, 12| zullen overgegeven worden, om vernield te worden op die
22 11, 13| God heeft mij gezonden, om met u dingen te doen, waarover
23 11, 17| geboodschapt, en ik ben gezonden om die u weder te boodschappen.~
24 12, 3 | zullen wij dergelijke halen, om u te geven, want daar is
25 12, 12| tot mijn heer te komen, om door zijn aanschijn verheerlijkt
26 12, 16| en was uitermate begerig om met haar gemeenschap te
27 12, 16| zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de
28 13, 1 | zich zijn dienstknechten om te scheiden, Bagoas sloot
29 13, 6 | het is nu de rechte tijd, om uw erve te hulp te komen,
30 13, 13| God, onze God, is met ons om nog kracht te bewijzen in
31 13, 14| hoorden, dat zij zich haastten om af te komen naar hun stadspoort,
32 13, 16| 16 En zij ontstaken vuur om te lichten, en omringden
33 13, 25| leven niet gespaard hebt, om der vernedering wil van
34 15, 4 | vijanden zouden uitvallen, om hen uit te roeien.~
35 15, 9 | hun woning hadden, kwamen om te aanschouwen het goede
36 15, 9 | God Israël gedaan had, en om Judith te zien, en met haar
37 15, 14| Israëls liepen te zamen om haar te zien, en zij zegenden
38 16, 10| nam een linnen kleding, om hem te bedriegen.~
|