Chapter, Verse
1 5, 22| 22 En nu bekeerd zijnde tot hun God,
2 5, 23| 23 En nu, heersende heer, zo er misdaad
3 6, 6 | verdelgd wordt. Indien gij nu met uw hart vertrouwt dat
4 7, 4 | 4 De kinderen Israëls nu als zij hun menigte zagen,
5 7, 4 | tot de ander: Deze zullen nu het aanschijn van het gehele
6 7, 10| 10 En nu, heer, beoorloog hen niet
7 7, 14| 14 En nu is er geen helper voor ons,
8 7, 15| 15 En nu, roept hen tot u, en geeft
9 8, 10| zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten der inwoners
10 8, 11| 11 En nu, wie zijt gijlieden, dat
11 8, 12| 12 En gij onderzoekt nu de Here, de Almachtige,
12 8, 21| 21 En nu, broeders, laat ons onze
13 8, 26| 26 En nu, bid gij voor ons, want
14 9, 1 | zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem
15 9, 4 | geschied, en weet de dingen die nu zijn, en die toekomende
16 10, 7 | 7 Als zij nu haar zagen, en hoe haar
17 10, 14| 14 Als nu de mannen haar woorden hoorden,
18 10, 15| aangezicht onzes heren. En nu, ga voort tot zijn tent,
19 10, 16| 16 Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt
20 11, 2 | 2 En nu, indien uw volk, dat op
21 11, 3 | 3 Maar nu, zeg mij, waarom gij van
22 11, 7 | 7 En nu wat aangaat de rede, die
23 11, 9 | 9 Maar nu, opdat mijn heer niet tevergeefs
24 11, 14| dag de God des hemels. En nu ik zal bij u blijven, mijn
25 11, 21| 21 En nu, gij zijt schoon van gestalte
26 13, 4 | 4 Judith nu had haar dienstmaagd bevolen,
27 13, 6 | Jeruzalems, want het is nu de rechte tijd, om uw erve
28 14, 1 | zeide. tot hen: Hoort mij nu broeders, en neemt dit hoofd,
29 14, 6 | huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes
30 14, 6 | zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen
31 14, 8 | 8 Wanneer nu de morgenstond aanbrak,
32 14, 9 | 9 Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten
33 14, 16| 16 Als nu de oversten van het leger
34 15, 5 | 5 Als nu de kinderen Israëls zulks
35 15, 7 | 7 De anderen nu, die te Bethulië woonden,
36 16, 22| 22 En als zij nu te Jeruzalem gekomen waren,
|