Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zeggende 3
zegt 3
zei 1
zeide 35
zeiden 10
zeker 2
zekere 1
Frequency    [«  »]
38 daar
38 om
36 nu
35 zeide
34 dagen
33 door
32 had

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

zeide

   Chapter, Verse
1 2, 4 | tweede na hem was, en hij zeide tot hem:~ 2 5, 3 | 3 En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, 3 5, 5 | van al de kinderen Ammons, zeide tot hem: Mijnheer hoor toch 4 7, 4 | zeer ontroerd, en de een zeide tot de ander: Deze zullen 5 7, 19| 19 En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, 6 8, 10| kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij 7 8, 25| 25 En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij 8 8, 27| 27 En Judith zeide tot hen: Hoort mij en ik 9 9, 1 | luider stem tot de Here, en zeide:~ 10 10, 9 | 9 En zeide tot hen: Beveelt dat mij 11 10, 12| 12 En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse vrouw, 12 10, 16| om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit 13 11, 1 | 1 EN Holofernes zeide tot haar: Heb goede moed, 14 11, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Neem de woorden 15 11, 20| 20 En Holofernes zeide. tot haar: God heeft welgedaan, 16 12, 2 | 2 Maar Judith zeide: Ik zal daarvan niet eten, 17 12, 3 | 3 En Holofernes zeide tot haar: Maar wanneer het 18 12, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Zo waarachtig als 19 12, 10| gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling, 20 12, 12| Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw 21 12, 13| 13 En Judith zeide tot hem: Wie ben ik, die 22 12, 17| 17 En Holofernes zeide tot haar: Drink toch, en 23 12, 18| 18 En Judith zeide: Ja, Heer, ik wil drinken, 24 13, 4 | dagelijks geschied was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou tot 25 13, 5 | Judith staande voor zijn bed, zeide in haar hart:~ 26 13, 7 | haar van zijn hoofd aan en zeide:~ 27 13, 13| 13 En Judith zeide van verre tot degenen, die 28 13, 19| de zak, en toonde het, en zeide tot hen: Ziet hier het hoofd 29 13, 23| 23 En Ozias zeide tot haar: Gezegend zijt 30 13, 26| 26 En al het volk zeide: Het zij alzo! het zij alzo!~ 31 14, 1 | 1 EN Judith zeide. tot hen: Hoort mij nu broeders, 32 14, 6 | Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle 33 15, 11| eeuwigen tijde, en al het volk zeide: Het zij alzo!~ 34 16, 2 | 2 En Judith zeide: Begint de lof mijns Heren 35 16, 6 | 6 Hij zeide, dat hij mijn landpalen


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License