Chapter, Verse
1 2, 4 | tweede na hem was, en hij zeide tot hem:~
2 5, 3 | 3 En hij zeide tot hen: Zegt mij toch,
3 5, 5 | van al de kinderen Ammons, zeide tot hem: Mijnheer hoor toch
4 7, 4 | zeer ontroerd, en de een zeide tot de ander: Deze zullen
5 7, 19| 19 En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed,
6 8, 10| kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij
7 8, 25| 25 En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij
8 8, 27| 27 En Judith zeide tot hen: Hoort mij en ik
9 9, 1 | luider stem tot de Here, en zeide:~
10 10, 9 | 9 En zeide tot hen: Beveelt dat mij
11 10, 12| 12 En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse vrouw,
12 10, 16| om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit
13 11, 1 | 1 EN Holofernes zeide tot haar: Heb goede moed,
14 11, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Neem de woorden
15 11, 20| 20 En Holofernes zeide. tot haar: God heeft welgedaan,
16 12, 2 | 2 Maar Judith zeide: Ik zal daarvan niet eten,
17 12, 3 | 3 En Holofernes zeide tot haar: Maar wanneer het
18 12, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Zo waarachtig als
19 12, 10| gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling,
20 12, 12| Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw
21 12, 13| 13 En Judith zeide tot hem: Wie ben ik, die
22 12, 17| 17 En Holofernes zeide tot haar: Drink toch, en
23 12, 18| 18 En Judith zeide: Ja, Heer, ik wil drinken,
24 13, 4 | dagelijks geschied was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou tot
25 13, 5 | Judith staande voor zijn bed, zeide in haar hart:~
26 13, 7 | haar van zijn hoofd aan en zeide:~
27 13, 13| 13 En Judith zeide van verre tot degenen, die
28 13, 19| de zak, en toonde het, en zeide tot hen: Ziet hier het hoofd
29 13, 23| 23 En Ozias zeide tot haar: Gezegend zijt
30 13, 26| 26 En al het volk zeide: Het zij alzo! het zij alzo!~
31 14, 1 | 1 EN Judith zeide. tot hen: Hoort mij nu broeders,
32 14, 6 | Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle
33 15, 11| eeuwigen tijde, en al het volk zeide: Het zij alzo!~
34 16, 2 | 2 En Judith zeide: Begint de lof mijns Heren
35 16, 6 | 6 Hij zeide, dat hij mijn landpalen
|