Chapter, Verse
1 1, 1 | grote stad Nineve in de dagen van Arfaxad, welke regeerde
2 1, 16| leger, honderdentwintig dagen lang.~
3 2, 17| veld van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij
4 4, 5 | hogepriester, die in die dagen te Jeruzalem was, schreef
5 4, 15| En het volk vastte vele dagen lang in gans Judea en Jeruzalem,
6 5, 8 | gebracht, en hebben daar vele dagen als vreemdelingen gewoond;
7 5, 18| hebben in het gebergte vele dagen gewoond.~
8 7, 13| rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken
9 7, 19| broeders, laat ons nog vijf dagen standvastig blijven, waarin
10 8, 1 | 1 EN in die dagen hoorde zulks Judith, een
11 8, 2 | hij was gestorven in de dagen des gerstenoogstes.~
12 8, 6 | 6 En zij vastte al de dagen van haar weduwschap, behalve
13 8, 6 | weduwschap, behalve alleen de dagen voor de sabbat en de sabbatdagen,
14 8, 6 | en de sabbatdagen, en de dagen voor de nieuwe maan en de
15 8, 6 | voor de nieuwe maan en de dagen der nieuwe maan, en de feestdagen
16 8, 6 | en de feestdagen en de dagen der vreugde van het huis
17 8, 9 | aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd,
18 8, 10| vijanden, indien binnen deze dagen de Here zich niet wendt
19 8, 14| Want zo hij in deze vijf dagen ons niet helpen wil, hij
20 8, 14| ons te beschutten in welke dagen hij wil, of ook om ons te
21 8, 18| Gelijk wel in de vorige dagen is geschied, om welke oorzaak
22 8, 25| maar van het begin uwer dagen heeft al het volk uw vernuft
23 8, 28| daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke gij gezegd hebt
24 10, 2 | waar zij zich ophield in de dagen der sabbatten, en in haar
25 10, 3 | waarmede zij bekleed was in de dagen van het leven haars mans
26 12, 7 | verbleef in het leger drie dagen, en zij ging des nachts
27 12, 18| het geweest is van al de dagen mijner geboorte.~
28 14, 6 | mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde
29 15, 12| plunderde het leger, dertig dagen lang.~
30 16, 25| 25 En na die dagen trok een iegelijk weder
31 16, 27| geen man bekende haar al de dagen haars levens, van de dag
32 16, 28| huis Israëls droeg zeven dagen lang rouw over haar.~
33 16, 30| enige vrees aandeed, in de dagen van Judith, noch ook in
34 16, 30| Judith, noch ook in vele dagen, nadat zij gestorven was.~
|