Chapter, Verse
1 2, 6 | heb, dat zal ik ook doen door mijn hand; en gij zult niet
2 2, 13| over de Eufraat, en trok door Mesopotamië,~
3 5, 10| gebruikte listigheid tegen hen door arbeid, en door maken van
4 5, 10| tegen hen door arbeid, en door maken van tichelstenen,
5 5, 15| de Esebonieten uitgeroeid door hun sterkte.~
6 5, 16| 16 En door de Jordaan getrokken zijnde,~
7 5, 20| had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer verwoest
8 5, 21| hun steden zijn ingenomen door hun vijanden.~
9 7, 10| en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen
10 7, 14| moeten neergeveld worden door dorst en groot verderf.~
11 8, 24| 24 Want gelijk hij hen door vuur beproefd heeft tot
12 8, 28| geven, zal de Here Israël door mijn hand bezoeken.~
13 9, 14| 14 Breek hun hoogmoed door de hand ener vrouw.~
14 10, 16| en daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar
15 10, 16| aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen
16 10, 16| overgelaten zijnde het gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.~
17 11, 5 | zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de
18 11, 5 | vogelen des hemels zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor
19 11, 15| 15 En ik zal u leiden door het midden van Judea, totdat
20 11, 21| en gij zult vermaard zijn door het gehele land.~
21 12, 4 | mij heb, of de Here zal door mijn hand gedaan hebben,
22 12, 12| tot mijn heer te komen, om door zijn aanschijn verheerlijkt
23 13, 12| naar haar gewoonte, en door het leger gegaan zijnde,
24 13, 18| heeft onze vijanden verwond door mijn hand, in deze nacht.~
25 13, 19| Here heeft hem geslagen door de hand ener vrouw.~
26 15, 11| Gij hebt dit alles gedaan door uw hand. Gij hebt aan Israël
27 16, 6 | jonge mannen zou ombrengen door het zwaard, en mijn zuigelingen
28 16, 7 | heeft hen teniet gemaakt, door de hand ener vrouw.~
29 16, 8 | machtige is niet gevallen door jonge mannen, en de kinderen
30 16, 8 | hem machteloos gemaakt, door de schoonheid van haar aangezicht.~
31 16, 11| genomen, en de sabel is door zijn hals gegaan.~
32 16, 14| gewond, zij zijn vergaan door het heer des Heren, mijns
33 16, 21| vlees geven, en zij zullen door de pijn tot in eeuwigheid
|