Chapter, Verse
1 2, 5 | der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht
2 2, 5 | aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op
3 2, 5 | tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het gehele
4 2, 5 | ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij
5 2, 5 | Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen
6 2, 5 | aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag
7 2, 6 | uw oog niet sparen, gij zult hen overgeven tot de dood,
8 2, 6 | doen door mijn hand; en gij zult niet een der woorden uws
9 2, 6 | uws heren overtreden, maar zult het gans volbrengen, gelijk
10 2, 6 | ik u bevolen heb, en gij zult niet vertragen het te doen.~
11 6, 5 | uwer ongerechtigheid, gij zult mijn aangezicht niet meer
12 6, 5 | tussen uw zijden gaan, en gij zult vallen onder hun gekwetsten,
13 6, 6 | van hun opgangen, en gij zult niet sterven totdat gij
14 7, 10| straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen,
15 8, 10| beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan onze vijanden,
16 8, 12| Here, de Almachtige, maar zult in der eeuwigheid niets
17 8, 13| zijner bedenking, en hoe zult gij de God die al deze dingen
18 8, 28| 28 Gijlieden zult deze nacht aan de poort
19 8, 29| 29 Doch gijlieden zult niet onderzoeken wat ik
20 11, 3 | behoudenis; heb goede moed, gij zult deze nacht bij het leven
21 11, 4 | woorden uwer dienstmaagd zult volgen, zo zal God de zaak
22 11, 14| zulks aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht uittrekken;
23 11, 16| midden van hen zetten, en gij zult hen drijven gelijk schapen,
24 11, 21| redenen, indien gij dan zult doen gelijk gij gezegd hebt,
25 11, 21| God mijn God zijn, en gij zult in het huis des konings
26 11, 21| Nabuchodonosor wonen, en gij zult vermaard zijn door het gehele
27 14, 2 | die kloeke mannen zijt, zult uitgaan buiten de stad,
28 14, 2 | uitgaan buiten de stad, en zult een overste stellen tegen
29 14, 2 | kinderen van Assur, maar gij zult niet henen afgaan.~
30 14, 5 | 5 En gijlieden zult hen achtervolgen, mitsgaders
31 14, 5 | landpale Israëls wonen, en zult hen nedervellen in hun wegen.~
32 16, 19| 19 Maar gij zult genadig zijn degenen die
|