Chapter, Verse
1 1, 2 | gehouwen stenen, die drie ellen waren in de breedte, en zes ellen
2 1, 9 | tot allen die in Samaria waren, en tot hun steden, en over
3 1, 12| en allen die in Egypte waren, totdat men komt aan de
4 2, 3 | zijns monds niet nagevolgd waren.~
5 2, 14| hoge steden die gelegen waren aan de beek Albonai, totdat
6 2, 18| de zee woonden, die daar waren in Sidon en Tyrus, en die
7 4, 2 | uitermate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd voor de stad
8 4, 2 | Heren huns Gods, want zij waren onlangs wedergekomen uit
9 4, 2 | altaar en het huis Gods waren van de ontheiliging geheiligd.~
10 4, 4 | hun vlekken, die daarop waren, en beschikten koren tot
11 4, 4 | velden kort tevoren afgemaaid waren.~
12 5, 7 | in het land van Chaldea waren;~
13 5, 11| plagen, die niet te genezen waren en de Egyptenaars dreven
14 5, 22| waarheen zij verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem
15 6, 1 | die rondom de vergadering waren, ophield, zo zei Holofernes
16 6, 8 | fonteinen, die onder Bethulië waren; en als de mannen der stad
17 6, 11| stad, welke op die tijd waren Ozias, de zoon van Mika,
18 7, 2 | mannen, die onder hen te voet waren.~
19 7, 6 | Israëls, die te Bethulië waren, en bezichtigde de toegangen
20 7, 12| legerden zij in grote hopen, en waren een zeer grote menigte;~
21 7, 20| hun huizen gezonden en zij waren in grote vernedering in
22 8, 9 | dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des
23 9, 4 | dingen gedaan, welke voor die waren, en die dingen zelf, en
24 10, 16| haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid,
25 12, 10| die over de gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas
26 13, 2 | naar hun bedden, want zij waren allen vermoeid, omdat de
27 15, 1 | EN als die in de tenten waren dat hoorden, ontzetten zij
28 15, 5 | van Jeruzalem daar gekomen waren, en uit het ganse gebergte,
29 15, 15| de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en
30 15, 15| en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij
31 16, 9 | verhoging dergenen die benauwd waren in Israël.~
32 16, 22| nu te Jeruzalem gekomen waren, aanbaden zij God, en toen
|