Chapter, Verse
1 6, 2 | zo geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij het geslacht Israëls
2 6, 5 | die deze woorden gesproken hebt, in de dag uwer ongerechtigheid,
3 7, 13| zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden
4 7, 13| en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen
5 7, 19| En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, broeders, laat
6 8, 10| tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld,
7 8, 10| volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die gij
8 8, 10| gesteld, die gij gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt
9 8, 10| hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat gij de stad
10 8, 11| gij God op de huidige dag hebt verzocht, en hebt u in Gods
11 8, 11| huidige dag hebt verzocht, en hebt u in Gods plaats gezet,
12 8, 25| haar: Alles wat gij gezegd hebt, dat hebt gij van goeder
13 8, 25| wat gij gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte gezegd,
14 8, 28| dagen, na welke gij gezegd hebt de stad aan onze vijanden
15 9, 2 | zwaard in zijn hand gegeven hebt tot wraak over de vreemden,
16 9, 2 | waarom gij hun oversten hebt gegeven om gedood te worden,
17 9, 2 | gekend had, tot bloed, en hebt de knechten geslagen met
18 9, 3 | 3 En hebt hun vrouwen gegeven tot
19 9, 4 | 4 Want gij hebt de dingen gedaan, welke
20 9, 4 | dingen, die gij beraadslaagd hebt, zijn daar komen staan,
21 10, 9 | volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken, en zij bevalen
22 10, 15| zij zeiden tot haar: Gij hebt uw leven behouden, dewijl
23 10, 15| behouden, dewijl gij u gehaast hebt af te komen tot het aangezicht
24 11, 21| zult doen gelijk gij gezegd hebt, zo zal uw God mijn God
25 13, 22| vijanden van uw volk teniet hebt gemaakt.~
26 13, 25| gij uw leven niet gespaard hebt, om der vernedering wil
27 13, 25| gij oprecht voor onze God hebt gewandeld.~
28 14, 6 | gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem
29 15, 11| roem van ons geslacht. Gij hebt dit alles gedaan door uw
30 15, 11| gedaan door uw hand. Gij hebt aan Israël goed gedaan,
31 16, 17| schepsel u diene, want gij hebt het gezegd, en zij zijn
32 16, 17| en zij zijn geworden. Gij hebt uw geest uitgezonden, en
|