Chapter, Verse
1 1, 6 | koning der Elymeërs, en zeer vele volken der kinderen
2 1, 12| 12 En Nabuchodonosor werd zeer verstoord tegen al dat land;
3 1, 16| vele volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden;
4 2, 8 | ezelen tot hun bagage, een zeer grote menigte; mitsgaders
5 2, 10| zilver uit des konings huis, zeer veel.~
6 2, 18| Askalon vreesden hem uitermate zeer.~
7 4, 2 | bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd voor de stad Jeruzalem,
8 5, 2 | 2 En hij werd zeer toornig, en hij riep al
9 5, 8 | goud, en zilver, en aan zeer veel vee.~
10 5, 20| zijn zij door vele oorlogen zeer verwoest geworden.~
11 6, 16| vertroostten Achior en prezen hem zeer.~
12 7, 2 | krijgsrusting; en daar was een zeer grote menigte van mannen,
13 7, 4 | hun menigte zagen, werden zeer ontroerd, en de een zeide
14 7, 12| grote hopen, en waren een zeer grote menigte;~
15 8, 7 | schoon van gedaante, en zeer fraai van aanzien, en Manasse
16 8, 8 | oplegde, want zij vreesde God zeer.~
17 10, 4 | sieraad, en versierde zich zeer, tot bedrog van de ogen
18 10, 7 | verwonderden zij zich uitermate zeer over haar schoonheid.~
19 10, 14| aanmerkten, zo was het voor hen zeer wonderlijk in schoonheid.~
20 11, 10| ontbroken heeft, en al het water zeer weinig is geworden, zo hebben
21 12, 20| vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit
22 13, 2 | vermoeid, omdat de maaltijd zeer lang geduurd had; en Judith
23 13, 3 | gevallen, want de wijn had hem zeer bevangen.~
24 13, 21| al het volk ontzette zich zeer, en zich nederbuigende,
25 14, 7 | Israëls gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed het
26 14, 16| klederen, en hun ziel werd zeer beroerd.~
27 15, 7 | verrijkten zich daarbij zeer.~
28 15, 8 | buit, want daar was een zeer grote menigte.~
29 16, 26| En zij was in haar tijd zeer geëerd in het gehele land.~
30 16, 28| 28 En zij nam zeer toe, en was zeer groot,
31 16, 28| zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd oud in
|