Chapter, Verse
1 3, 2 | 2 Ziet, wij zijn knechten des groten
2 5, 23| zondigen tegen hun God, en zo wij bemerken dat er onder hen
3 5, 23| zodanige ergernis is, zo zullen wij opklimmen en hen overweldigen.~
4 5, 24| hun God vóór hen zij, en wij zullen tot een smaad zijn
5 5, 26| houwen, want zeiden zij, wij vrezen niet voor de kinderen
6 5, 27| 27 Daarom zo zullen wij optrekken heer Holofernes
7 6, 2 | geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij het geslacht Israëls niet
8 6, 3 | hen niet verlossen, maar wij die zijn knechten zijn zullen
9 6, 3 | paarden niet wederstaan, maar wij zullen hen daarmee vertreden.~
10 7, 10| stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de
11 7, 14| hun handen gegeven, dat wij voor hun ogen moeten neergeveld
12 7, 16| Want het is ons beter, dat wij hun ten roof worden, zo
13 7, 16| ten roof worden, zo zullen wij hun tot knechten zijn, en
14 7, 16| onze ziel zal leven, en wij zullen onze jonge kinderen
15 7, 17| 17 Wij nemen tegen u tot getuigen
16 8, 19| 19 Maar wij erkennen geen andere God
17 8, 19| andere God dan hem, waarom wij hopen dat hij ons niet zal
18 8, 20| 20 Want als wij ingenomen zijn, zal Judea
19 8, 20| onder de heidenen, waar wij ook zullen dienstbaar zijn.
20 8, 20| zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot
21 8, 25| heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens hetgeen
22 8, 25| doen zouden volgens hetgeen wij hun beloofd hebben, en dat
23 8, 25| hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen,
24 8, 25| ons zouden brengen, die wij niet mogen overtreden.~
25 8, 26| waterbakken vol worden, en wij niet meer gebrek lijden.~
26 9, 4 | hebben gezegd: Ziet hier zijn wij.~
27 11, 6 | 6 Want wij hebben van uw wijsheid gehoord,
28 11, 7 | gesproken heeft in uw raad, wij hebben zijn woorden gehoord,
29 12, 3 | bij u is, vanwaar zullen wij dergelijke halen, om u te
30 12, 11| is schande voor ons dat wij zodanige vrouw zouden laten
31 12, 11| haar te hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken,
|