Chapter, Verse
1 1, 1 | die regeerde in de grote stad Nineve in de dagen van Arfaxad,
2 1, 3 | torens op de poorten dezer stad, van honderd ellen in de
3 4, 2 | waren zeer bevreesd voor de stad Jeruzalem, en de tempel
4 6, 8 | waren; en als de mannen der stad hen op de spits des bergs
5 6, 8 | wapenen en trokken buiten de stad naar de spits des bergs
6 6, 10| nederwaarts tot hem uit hun stad, en maakten hem los, en
7 6, 11| voor de oversten van hun stad, welke op die tijd waren
8 6, 12| riepen al de oudsten der stad bijeen, en al hun jongelingen,
9 7, 6 | bezichtigde de toegangen naar de stad.~
10 7, 10| wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij
11 7, 10| dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen
12 7, 13| en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen
13 7, 15| tot u, en geeft de gehele stad over tot buit aan het volk
14 7, 20| muren en torens van hun stad heengegaan; en hij heeft
15 7, 20| grote vernedering in de stad.~
16 8, 3 | te bed, en stierf in zijn stad Bethulië, en zij begroeven
17 8, 9 | hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs,
18 8, 9 | Charmin, de oudsten van haar stad.~
19 8, 10| hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan onze
20 8, 17| geslacht, noch volk, noch stad onder ons, welke de goden
21 8, 28| welke gij gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te
22 10, 6 | gingen uit naar de poort der stad Bethulië, en vonden aan
23 10, 6 | Ozias, en de oudsten der stad Chabrin en Charmin.~
24 10, 9 | Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan worde en ik zal
25 10, 10| met haar, en de mannen der stad zagen haar na, totdat zij
26 13, 12| en klommen op de berg der stad Bethulië, en kwamen aan
27 13, 14| geschiedde als de mannen dier stad haar stem hoorden, dat zij
28 13, 14| zij riepen de oudsten der stad bijeen.~
29 14, 2 | zult uitgaan buiten de stad, en zult een overste stellen
30 14, 6 | stem van vreugde in hun stad.~
|