Chapter, Verse
1 2, 5 | zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden,
2 2, 5 | u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van
3 5, 3 | hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen Kanaäns,
4 5, 4 | 4 En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben,
5 5, 4 | toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet gekomen,
6 8, 10| zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten der inwoners
7 8, 27| Judith zeide tot hen: Hoort mij en ik zal een werk doen,
8 9, 3 | God, o mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.~
9 10, 9 | zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan
10 10, 9 | volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken, en zij bevalen
11 11, 2 | dat op dit gebergte woont, mij niet veracht had, ik zou
12 11, 3 | 3 Maar nu, zeg mij, waarom gij van hen gevloden
13 11, 13| aangezicht gevloden, en God heeft mij gezonden, om met u dingen
14 11, 14| God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij
15 11, 17| 17 Want deze dingen zijn mij aangezegd naar mijn voorwetenschap,
16 11, 17| voorwetenschap, en zijn mij geboodschapt, en ik ben
17 12, 2 | ontsta, maar uit hetgeen mij volgt, zal mij toegediend
18 12, 2 | uit hetgeen mij volgt, zal mij toegediend worden.~
19 12, 4 | opgeteerd hebben hetgeen ik bij mij heb, of de Here zal door
20 12, 14| vlijtig doen; en dit zal mij een verheuging zijn, tot
21 13, 8 | 8 Sterk mij, o God Israëls, op deze
22 13, 20| waarachtig als de Here leeft, die mij bewaard heeft in mijn weg,
23 13, 20| bevlekking en schaamte met mij begaan.~
24 14, 1 | Judith zeide. tot hen: Hoort mij nu broeders, en neemt dit
25 14, 6 | eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat
26 14, 6 | ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen
27 16, 3 | in het midden des volks, mij verlost, uit de hand dergenen,
28 16, 3 | uit de hand dergenen, die mij vervolgden.~
|