1-500 | 501-999
Chapter, Verse
501 8, 9 | en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de
502 8, 9 | zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van
503 8, 10| 10 En zij kwamen tot haar, en
504 8, 10| En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort
505 8, 10| het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die
506 8, 10| gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat
507 8, 10| hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat gij de
508 8, 11| 11 En nu, wie zijt gijlieden,
509 8, 11| huidige dag hebt verzocht, en hebt u in Gods plaats gezet,
510 8, 12| 12 En gij onderzoekt nu de Here,
511 8, 13| kunt gij niet doorgronden, en kunt niet vatten de woorden
512 8, 13| woorden zijner bedenking, en hoe zult gij de God die
513 8, 13| geschapen heeft, onderzoeken, en zijn zin vernemen, en zijn
514 8, 13| onderzoeken, en zijn zin vernemen, en zijn gedachten verstaan?~
515 8, 16| zijn verlossing wachten, en hem aanroepen tot onze hulp,
516 8, 16| aanroepen tot onze hulp, en Hij zal onze stem verhoren,
517 8, 17| geslachten niemand is opgestaan, en ook op de huidige dag geen
518 8, 18| oorzaak onze vaders ten zwaard en ten roof overgegeven zijn,
519 8, 18| ten roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze
520 8, 20| meer zo genoemd worden, en onze heilige plaatsen zullen
521 8, 20| plaatsen zullen beroofd worden, en de Here, onze God, zal de
522 8, 20| derzelve van onze mond eisen, en hij zal de dood onzer broederen,
523 8, 20| de dood onzer broederen, en de gevangenis des lands,
524 8, 20| de gevangenis des lands, en de verwoesting onzer erve
525 8, 20| zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot
526 8, 20| zullen tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen,
527 8, 21| 21 En nu, broeders, laat ons onze
528 8, 21| ons hangt hun leven af, en het heiligdom, en het huis
529 8, 21| leven af, en het heiligdom, en het huis Gods, en het altaar
530 8, 21| heiligdom, en het huis Gods, en het altaar steunt op ons.
531 8, 23| 23 En hoe hij Izaäk verzocht heeft,
532 8, 23| hij Izaäk verzocht heeft, en wat Jakob al is overkomen
533 8, 25| 25 En Ozias zeide tot haar: Alles
534 8, 25| van goeder harte gezegd, en daar is niemand die uw woorden
535 8, 25| het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen dat
536 8, 25| wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons
537 8, 26| 26 En nu, bid gij voor ons, want
538 8, 26| zijt een godvrezende vrouw, en de Here zal de regen zenden,
539 8, 26| waterbakken vol worden, en wij niet meer gebrek lijden.~
540 8, 27| 27 En Judith zeide tot hen: Hoort
541 8, 27| zeide tot hen: Hoort mij en ik zal een werk doen, hetwelk
542 8, 28| nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd
543 8, 28| dienstmaagd daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke
544 8, 30| 30 En Ozias en de oversten zeiden
545 8, 30| 30 En Ozias en de oversten zeiden tot haar:
546 8, 30| zeiden tot haar: Ga in vrede, en de Here God ga voor u tot
547 8, 30| wraak over onze vijanden. En zij keerden weder uit haar
548 8, 30| keerden weder uit haar tent, en gingen heen naar hun bestemde
549 9, 1 | 1 EN Judith viel op haar aangezicht,
550 9, 1 | viel op haar aangezicht, en legde as op haar hoofd,
551 9, 1 | legde as op haar hoofd, en ontblootte de zak, die zij
552 9, 1 | de zak, die zij aan had, en het was nu de tijd dat te
553 9, 1 | die avond geofferd werd, en Judith riep met luider stem
554 9, 1 | luider stem tot de Here, en zeide:~
555 9, 2 | geopend hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot
556 9, 2 | ontbloot hadden tot schaamte, en de schoot bevlekt hadden
557 9, 2 | gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, waarom
558 9, 2 | gegeven om gedood te worden, en hun leger, hetwelk hun bedrog
559 9, 2 | bedrog gekend had, tot bloed, en hebt de knechten geslagen
560 9, 2 | geslagen met de geweldigen, en de geweldigen op hun tronen.~
561 9, 3 | 3 En hebt hun vrouwen gegeven
562 9, 3 | vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren in gevangenis,
563 9, 3 | dochteren in gevangenis, en al de buit tot verdeling
564 9, 3 | uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben
565 9, 3 | bevlekking huns bloeds, en hebben u tot een helper
566 9, 4 | gedaan, welke voor die waren, en die dingen zelf, en die
567 9, 4 | waren, en die dingen zelf, en die daarna zijn geschied,
568 9, 4 | die daarna zijn geschied, en weet de dingen die nu zijn,
569 9, 4 | weet de dingen die nu zijn, en die toekomende zijn, en,
570 9, 4 | en die toekomende zijn, en, die dingen, die gij beraadslaagd
571 9, 4 | zijn daar komen staan, en hebben gezegd: Ziet hier
572 9, 5 | al uw wegen zijn bereid, en uw oordeel is u tevoren
573 9, 6 | hoogmoedig op hun paarden en ruiters, en roemen op de
574 9, 6 | hun paarden en ruiters, en roemen op de arm van hun
575 9, 6 | Zij hopen op hun schilden en lansen, en bogen, en slingers,
576 9, 6 | hun schilden en lansen, en bogen, en slingers, en weten
577 9, 6 | schilden en lansen, en bogen, en slingers, en weten niet,
578 9, 6 | en bogen, en slingers, en weten niet, dat gij de Here
579 9, 7 | hun geweld met uw kracht, en sla hun sterkte ter neder
580 9, 9 | 9 En te bevlekken de tabernakel
581 9, 9 | rust van uw heerlijke naam, en met het breekijzer om te
582 9, 12| 12 En geef mijn hand (ik, die
583 9, 13| de knecht met de overste, en de overste met zijn dienaar.~
584 9, 15| beschutter der vertwijfelenden, en een behouder dergenen, die
585 9, 16| Israëls, gij Here des hemels en der aarde, gij schepper
586 9, 18| 18 En geef dat mijn rede en mijn
587 9, 18| 18 En geef dat mijn rede en mijn bedrog hun tot een
588 9, 18| bedrog hun tot een wonde en striem worde, die zo harde
589 9, 18| hebben tegen uw verbond, en tegen uw geheiligd thuis,
590 9, 18| tegen uw geheiligd thuis, en tegen de spits des bergs
591 9, 18| de spits des bergs Sion, en tegen het huis der bezitting
592 9, 19| 19 En maak, dat men onder al uw
593 9, 19| dat men onder al uw volk en alle stammen wete en bevinde,
594 9, 19| volk en alle stammen wete en bevinde, dat gij de God
595 9, 19| de God zijt aller kracht en sterkte, en dat er geen
596 9, 19| aller kracht en sterkte, en dat er geen ander beschutter
597 10, 1 | 1 EN het geschiedde toen zij
598 10, 1 | roepen tot de God Israëls, en al deze woorden geëindigd
599 10, 2 | opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en
600 10, 2 | en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden in het huis,
601 10, 2 | de dagen der sabbatten, en in haar feestdagen, en zij
602 10, 2 | en in haar feestdagen, en zij legde de zak af, waarmede
603 10, 2 | waarmede zij bekleed was, en trok haar weduwklederen
604 10, 3 | 3 En zij wies haar lichaam geheel
605 10, 3 | lichaam geheel met water, en zalfde dat met kostelijke
606 10, 3 | met kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van
607 10, 3 | het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop,
608 10, 3 | een hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-klederen
609 10, 4 | 4 En zij deed pantoffelen aan
610 10, 4 | pantoffelen aan haar voeten, en deed haar armringen aan,
611 10, 4 | deed haar armringen aan, en halsbanden, en ringen, en
612 10, 4 | armringen aan, en halsbanden, en ringen, en oorringen, en
613 10, 4 | en halsbanden, en ringen, en oorringen, en al haar sieraad,
614 10, 4 | en ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde
615 10, 4 | oorringen, en al haar sieraad, en versierde zich zeer, tot
616 10, 5 | 5 En zij gaf haar dienstmaagd
617 10, 5 | een lederen fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde
618 10, 5 | en een kruik met olie, en vulde een male met meel,
619 10, 5 | vulde een male met meel, en met vijgen, en reine broden,
620 10, 5 | met meel, en met vijgen, en reine broden, en bond al
621 10, 5 | vijgen, en reine broden, en bond al haar vaten om en
622 10, 5 | en bond al haar vaten om en om, en legde ze deze op.~
623 10, 5 | al haar vaten om en om, en legde ze deze op.~
624 10, 6 | 6 En zij gingen uit naar de poort
625 10, 6 | poort der stad Bethulië, en vonden aan deze staande
626 10, 6 | aan deze staande Ozias, en de oudsten der stad Chabrin
627 10, 6 | oudsten der stad Chabrin en Charmin.~
628 10, 7 | 7 Als zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld
629 10, 7 | haar aangezicht hersteld en haar kleding veranderd was,
630 10, 8 | 8 En zeiden tot haar: God, de
631 10, 8 | vaderen, make u aangenaam, en volbreng uw aanslagen, tot
632 10, 8 | van de kinderen Israëls en verhoging van Jeruzalem.
633 10, 8 | verhoging van Jeruzalem. En zij bad God aan,~
634 10, 9 | 9 En zeide tot hen: Beveelt dat
635 10, 9 | der stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen
636 10, 9 | met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongelingen
637 10, 9 | gelijk zij gesproken had, en zij deden alzo.~
638 10, 10| 10 En Judith ging uit, en haar
639 10, 10| 10 En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en
640 10, 10| en haar maagd met haar, en de mannen der stad zagen
641 10, 10| totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan
642 10, 10| het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.~
643 10, 11| deze in het dal recht heen en de voorwacht der Assyriërs
644 10, 11| Assyriërs kwam haar tegen, en grepen haar, en vraagden
645 10, 11| haar tegen, en grepen haar, en vraagden haar: Wiens zijt
646 10, 11| vraagden haar: Wiens zijt gij? en vanwaar komt gij? en waar
647 10, 11| gij? en vanwaar komt gij? en waar gaat gij heen?~
648 10, 12| 12 En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse
649 10, 12| ben een Hebreeuwse vrouw, en vlucht van hen weg want
650 10, 13| 13 En ik kom tot het aangezicht
651 10, 13| woorden te boodschappen, en ik zal een weg voor hem
652 10, 13| waardoor hij trekken zal, en het gehele gebergte veroveren,
653 10, 13| gehele gebergte veroveren, en van zijn mannen zal niemand
654 10, 14| mannen haar woorden hoorden, en haar aangezicht aanmerkten,
655 10, 15| 15 En zij zeiden tot haar: Gij
656 10, 15| aangezicht onzes heren. En nu, ga voort tot zijn tent,
657 10, 15| ga voort tot zijn tent, en enigen van ons zullen u
658 10, 16| boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij
659 10, 16| woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd
660 10, 16| uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en
661 10, 16| en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten
662 10, 16| bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de
663 10, 16| de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door
664 10, 16| ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden
665 10, 16| de tenten. En zij kwamen en omringden haar, gelijk zij
666 10, 16| van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over
667 10, 16| verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over
668 10, 16| kinderen Israëls om harentwil, en de een zeide tot de ander:
669 10, 17| 17 En de kamerlingen van Holofernes,
670 10, 17| kamerlingen van Holofernes, en al zijn dienaars kwamen
671 10, 17| zijn dienaars kwamen uit, en brachten haar in de tent.~
672 10, 18| 18 En Holofernes rustte op zijn
673 10, 18| behangsel, hetwelk van purper, en goud, en smaragden, en kostelijke
674 10, 18| hetwelk van purper, en goud, en smaragden, en kostelijke
675 10, 18| en goud, en smaragden, en kostelijke stenen was tezamen
676 10, 18| stenen was tezamen geweven, en zij boodschapten hem van
677 10, 18| boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent,
678 10, 18| kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren lampen
679 10, 19| 19 En als Judith voor zijn aangezicht
680 10, 19| Judith voor zijn aangezicht en dat zijner dienaren kwam,
681 10, 19| schoonheid haars aanschijns, en zij, nedervallende op haar
682 10, 19| aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten richtten
683 11, 1 | 1 EN Holofernes zeide tot haar:
684 11, 1 | Heb goede moed, vrouwe, en uw hart zij niet bevreesd,
685 11, 2 | 2 En nu, indien uw volk, dat
686 11, 3 | waarom gij van hen gevloden en tot ons gekomen zijt, want
687 11, 3 | nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; want daar
688 11, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Neem
689 11, 4 | woorden uwer dienstmaagd aan, en laat uw dienstmaagd voor
690 11, 4 | voor uw aanschijn spreken, en ik zal deze nacht mijn heer
691 11, 4 | geen leugen boodschappen. En indien gij de woorden uwer
692 11, 4 | met u volkomen uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen
693 11, 5 | der gehele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht
694 11, 5 | ook de dieren des velds en de beesten, en de vogelen
695 11, 5 | des velds en de beesten, en de vogelen des hemels zullen
696 11, 5 | geweld onder Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.~
697 11, 6 | van uw wijsheid gehoord, en van de vernuftige daden
698 11, 6 | vernuftige daden uws harten, en het wordt verkondigd in
699 11, 6 | in geheel het koninkrijk, en machtig in wetenschap, en
700 11, 6 | en machtig in wetenschap, en wonderlijk in de krijgsordeningen.~
701 11, 7 | 7 En nu wat aangaat de rede,
702 11, 7 | Bethulië gekregen hebben, en hij heeft hun aangezegd
703 11, 8 | wordt geen wraak genomen, en het zwaard overweldigt het
704 11, 9 | mijn heer niet tevergeefs en zonder iets uit te richten
705 11, 9 | het aanschijn gevallen, en een zonde heeft hen ingenomen,
706 11, 10| de spijs ontbroken heeft, en al het water zeer weinig
707 11, 10| slaan aan hun lastbeesten, en hebben besloten tot spijs
708 11, 11| eerstelingen van koren, en de tienden van wijn en van
709 11, 11| en de tienden van wijn en van olie, welke zij bewaard
710 11, 11| welke zij bewaard hebben en geheiligd voor de priesters,
711 11, 12| 12 En zij hebben enigen naar Jeruzalem
712 11, 12| de toelating van de raad; en het zal geschieden, als
713 11, 12| dit zal geboodschapt zijn, en zij zullen hebben gedaan,
714 11, 13| hun aangezicht gevloden, en God heeft mij gezonden,
715 11, 14| vreest God, dienende nacht en dag de God des hemels. En
716 11, 14| en dag de God des hemels. En nu ik zal bij u blijven,
717 11, 14| bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal des nachts
718 11, 14| nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en
719 11, 14| en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen
720 11, 14| zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks
721 11, 14| hebben; en ik zal komen en u zulks aanbrengen, en gij
722 11, 14| komen en u zulks aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht
723 11, 14| gehele macht uittrekken; en daar is geen van hen, die
724 11, 15| 15 En ik zal u leiden door het
725 11, 16| 16 En ik zal uw stoel in het midden
726 11, 16| het midden van hen zetten, en gij zult hen drijven gelijk
727 11, 16| die geen herder hebben, en daar zal niet een hond zijn,
728 11, 17| naar mijn voorwetenschap, en zijn mij geboodschapt, en
729 11, 17| en zijn mij geboodschapt, en ik ben gezonden om die u
730 11, 18| redenen behaagden Holofernes en al zijn dienstknechten,
731 11, 18| al zijn dienstknechten, en zij verwonderden zich over
732 11, 18| zich over haar wijsheid, en zeiden:~
733 11, 19| schoonheid van aangezicht, en wijsheid van spreken.~
734 11, 20| 20 En Holofernes zeide. tot haar:
735 11, 20| onze handen kracht zij, en degenen die mijn heer verachten,
736 11, 21| 21 En nu, gij zijt schoon van
737 11, 21| zijt schoon van gestalte en kloek zijn uw redenen, indien
738 11, 21| zal uw God mijn God zijn, en gij zult in het huis des
739 11, 21| konings Nabuchodonosor wonen, en gij zult vermaard zijn door
740 12, 1 | 1 EN hij beval dat men haar brengen
741 12, 1 | zilverwerk bewaard werd, en hij gelastte dat men haar
742 12, 1 | opdissen van zijn spijs, en dat zij drinken zou van
743 12, 3 | 3 En Holofernes zeide tot haar:
744 12, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Zo
745 12, 5 | 5 En de dienaars van Holofernes
746 12, 5 | brachten haar in de tent, en zij sliep tot de middernacht;
747 12, 5 | sliep tot de middernacht; en zij stond op tegen de morgenwake.~
748 12, 6 | 6 En zij zond tot Holofernes,
749 12, 6 | dienstmaagd tot het gebed uitga; en Holofernes beval zijn lijfwachten,
750 12, 7 | 7 En zij verbleef in het leger
751 12, 7 | in het leger drie dagen, en zij ging des nachts uit
752 12, 7 | naar het dal van Bethulië, en zij wies zich in het leger,
753 12, 8 | 8 En als zij weder opkwam, bad
754 12, 9 | 9 En inkomende, bleef zij rein
755 12, 10| 10 En het geschiedde op de vierde
756 12, 10| voor zijn dienstknechten, en riep niemand daartoe dergenen,
757 12, 10| over de gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de
758 12, 10| toebehoorde: Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw
759 12, 10| is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke.~
760 12, 10| ons kome, en met ons ete en drinke.~
761 12, 12| 12 En Bagoas ging uit van Holofernes,
762 12, 12| ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zeide:
763 12, 12| Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw
764 12, 12| verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid
765 12, 12| vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als
766 12, 13| 13 En Judith zeide tot hem: Wie
767 12, 14| dat zal ik vlijtig doen; en dit zal mij een verheuging
768 12, 15| 15 Zo stond zij op en versierde zich met haar
769 12, 15| versierde zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel;
770 12, 15| al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe,
771 12, 15| haar dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht
772 12, 15| zij daarop nederzitten, en eten mocht; en Judith kwam
773 12, 15| nederzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat neder.~
774 12, 15| mocht; en Judith kwam in, en zat neder.~
775 12, 16| 16 En het hart van Holofernes
776 12, 16| ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen,
777 12, 16| zijn ziel werd bewogen, en was uitermate begerig om
778 12, 16| haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd,
779 12, 17| 17 En Holofernes zeide tot haar:
780 12, 17| zeide tot haar: Drink toch, en zijt met ons vrolijk.~
781 12, 18| 18 En Judith zeide: Ja, Heer,
782 12, 19| 19 En zij nam, en at, en dronk
783 12, 19| 19 En zij nam, en at, en dronk voor hem, hetgeen
784 12, 19| 19 En zij nam, en at, en dronk voor hem, hetgeen
785 12, 20| 20 En Holofernes was vrolijk over
786 12, 20| Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, zodat
787 13, 1 | 1 EN als het laat geworden was,
788 13, 1 | de tent van buiten toe, en deed van zich gaan allen,
789 13, 2 | 2 En zij gingen heen naar hun
790 13, 2 | maaltijd zeer lang geduurd had; en Judith werd alleen gelaten
791 13, 3 | 3 En Holofernes was voorover
792 13, 4 | haar slaapkamer zou staan, en haar uitgang waarnemen,
793 13, 4 | uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met Bagoas dergelijke
794 13, 4 | dergelijke woorden gesproken; en zij gingen allen weg van
795 13, 4 | weg van haar aanschijn, en daar werd niemand, noch
796 13, 5 | 5 En Judith staande voor zijn
797 13, 6 | uw erve te hulp te komen, en mijn aanslag uit te voeren,
798 13, 7 | 7 En zij ging naar de sponde
799 13, 7 | aan Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn sabel vandaar,
800 13, 7 | nam zijn sabel vandaar, en nabij komende aan het bed,
801 13, 7 | haar van zijn hoofd aan en zeide:~
802 13, 9 | 9 En zij sloeg tweemaal in zijn
803 13, 9 | hals met al haar kracht: en hieuw hem zijn hoofd af,
804 13, 9 | hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde het lichaam
805 13, 10| 10 En nam het behangsel van de
806 13, 11| 11 En een weinig daarna ging zij
807 13, 11| weinig daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd het
808 13, 11| hoofd van Holofernes over, en die stak het in de zak harer
809 13, 12| 12 En zij beiden gingen tezamen
810 13, 12| uit, naar haar gewoonte, en door het leger gegaan zijnde,
811 13, 12| zij rondom dat dal heen, en klommen op de berg der stad
812 13, 12| berg der stad Bethulië, en kwamen aan haar poorten.~
813 13, 13| 13 En Judith zeide van verre tot
814 13, 13| kracht te bewijzen in Israël, en tegen de vijanden, gelijk
815 13, 14| 14 En het geschiedde als de mannen
816 13, 14| komen naar hun stadspoort, en zij riepen de oudsten der
817 13, 15| 15 En zij liepen allen tezamen
818 13, 15| hun vreemd, dat zij kwam en zij deden de poort open,
819 13, 15| zij deden de poort open, en ontvingen haar.~
820 13, 16| 16 En zij ontstaken vuur om te
821 13, 16| ontstaken vuur om te lichten, en omringden haar.~
822 13, 19| 19 En zij trok het hoofd van Holofernes
823 13, 19| van Holofernes uit de zak, en toonde het, en zeide tot
824 13, 19| uit de zak, en toonde het, en zeide tot hen: Ziet hier
825 13, 19| het leger der Assyriërs, en ziet hier, en ziet het behangsel
826 13, 19| Assyriërs, en ziet hier, en ziet het behangsel onder
827 13, 19| heeft in zijn dronkenschap, en de Here heeft hem geslagen
828 13, 20| 20 En zo waarachtig als de Here
829 13, 20| verleid tot zijn verderf, en hij heeft geen zonde tot
830 13, 20| geen zonde tot bevlekking en schaamte met mij begaan.~
831 13, 21| 21 En al het volk ontzette zich
832 13, 21| volk ontzette zich zeer, en zich nederbuigende, aanbaden
833 13, 22| 22 En zeiden eendrachtiglijk:
834 13, 23| 23 En Ozias zeide tot haar: Gezegend
835 13, 24| 24 En geloofd zij de Here God,
836 13, 24| de Here God, die de hemel en de aarde geschapen heeft,
837 13, 25| tot in der eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige
838 13, 25| tot een eeuwige verhoging, en bezoeke u met allerlei goed,
839 13, 26| 26 En al het volk zeide: Het zij
840 14, 1 | 1 EN Judith zeide. tot hen: Hoort
841 14, 1 | Hoort mij nu broeders, en neemt dit hoofd, en hangt
842 14, 1 | broeders, en neemt dit hoofd, en hangt dat uit, op de tinne
843 14, 2 | 2 En wanneer de morgenstond zal
844 14, 2 | morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan,
845 14, 2 | krijgsuitrusting nemen, en gij allen, die kloeke mannen
846 14, 2 | uitgaan buiten de stad, en zult een overste stellen
847 14, 3 | 3 En zij zullen hun wapenen nemen,
848 14, 3 | zullen hun wapenen nemen, en naar hun legers heentrekken,
849 14, 3 | hun legers heentrekken, en zullen de hoofdlieden van
850 14, 4 | 4 En zij zullen gelijkelijk lopen
851 14, 4 | de tent van Holofernes, en zullen hem niet vinden,
852 14, 4 | zullen hem niet vinden, en een vrees zal op hen vallen,
853 14, 4 | vrees zal op hen vallen, en zij zullen voor uw aangezicht
854 14, 5 | 5 En gijlieden zult hen achtervolgen,
855 14, 5 | landpale Israëls wonen, en zult hen nedervellen in
856 14, 6 | Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis
857 14, 6 | huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot
858 14, 6 | de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het
859 14, 6 | Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes
860 14, 6 | hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen;
861 14, 6 | aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend
862 14, 6 | van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij
863 14, 6 | in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van
864 14, 6 | die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen
865 14, 6 | deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in
866 14, 6 | totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken,
867 14, 6 | het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde
868 14, 7 | 7 En Achior ziende al hetgeen
869 14, 7 | geloofde zeer aan God, en besneed het vlees zijner
870 14, 7 | het vlees zijner voorhuid, en werd tot het huis Israëls
871 14, 8 | Holofernes van de muur uit, en alle mannen Israëls namen
872 14, 8 | Israëls namen hun wapenen, en vielen uit met benden tot
873 14, 8 | aan de opgang des bergs, en de Assyriërs, zo haast zij
874 14, 9 | kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder
875 14, 9 | krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen
876 14, 9 | over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van
877 14, 9 | de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die over
878 14, 11| 11 En Bagoas ging binnen, en klopte
879 14, 11| 11 En Bagoas ging binnen, en klopte aan de voorzaal der
880 14, 13| 13 En als hij niemand hoorde,
881 14, 13| niemand hoorde, deed hij open, en kwam in de slaapkamer.~
882 14, 14| 14 En vond hem dood op de vloer
883 14, 14| dood op de vloer geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen;
884 14, 14| hoofd was hem afgehouwen; en hij riep met luider stem,
885 14, 14| luider stem, met geschrei, en gezucht, en sterk getier,
886 14, 14| met geschrei, en gezucht, en sterk getier, en verscheurde
887 14, 14| gezucht, en sterk getier, en verscheurde zijn klederen.~
888 14, 15| 15 En hij ging in de tent waar
889 14, 15| waar Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong
890 14, 15| ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk
891 14, 15| Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op hem.~
892 14, 16| scheurden zij hun klederen, en hun ziel werd zeer beroerd.~
893 14, 17| 17 En hun geschrei en geroep werd
894 14, 17| 17 En hun geschrei en geroep werd groot in het
895 15, 1 | 1 EN als die in de tenten waren
896 15, 1 | over hetgeen geschied was, en vrees en beving viel op
897 15, 1 | hetgeen geschied was, en vrees en beving viel op hen.~
898 15, 2 | 2 En daar was geen mens die staande
899 15, 2 | naasten, maar liepen weg, en vluchtten gezamenlijk op
900 15, 2 | wegen van het vlakke veld, en van het gebergte; en die
901 15, 2 | veld, en van het gebergte; en die zich gelegerd hadden
902 15, 3 | 3 En toen vielen tegen hen uit
903 15, 4 | 4 En Ozias zond naar Bethomasthem
904 15, 4 | Ozias zond naar Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en Chela,
905 15, 4 | naar Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en Chela, en in
906 15, 4 | Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en Chela, en in alle landpalen
907 15, 4 | Bebaï, en Chebaï, en Chela, en in alle landpalen van Israël,
908 15, 5 | eendrachtiglijk op hen aan en sloegen hen tot Choba toe;
909 15, 5 | Jeruzalem daar gekomen waren, en uit het ganse gebergte,
910 15, 6 | 6 En die van Gileäd en van Galilea
911 15, 6 | 6 En die van Gileäd en van Galilea sloegen hen
912 15, 6 | totdat zij voorbij Damaskus en haar landpalen gekomen zijn,~
913 15, 7 | het leger der Assyriërs en beroofden hen, en verrijkten
914 15, 7 | Assyriërs en beroofden hen, en verrijkten zich daarbij
915 15, 8 | 8 En de kinderen Israëls wedergekeerd
916 15, 8 | vermeesterden de overigen; en de vlekken en de steden
917 15, 8 | overigen; en de vlekken en de steden in het gebergte
918 15, 8 | de steden in het gebergte en op het vlakke veld kregen
919 15, 9 | 9 En Joachim, de hogepriester,
920 15, 9 | Joachim, de hogepriester, en de raad van de kinderen
921 15, 9 | dat God Israël gedaan had, en om Judith te zien, en met
922 15, 9 | had, en om Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken.~
923 15, 10| 10 En als zij tot haar inkwamen,
924 15, 10| haar allen eendrachtig, en zeiden tot haar:~
925 15, 11| aan Israël goed gedaan, en God hebbe een welgevallen
926 15, 11| Here, ten eeuwigen tijde, en al het volk zeide: Het zij
927 15, 12| 12 En al het volk plunderde het
928 15, 13| 13 En zij gaven aan Judith de
929 15, 13| de tent van Holofernes, en al het zilverwerk, en de
930 15, 13| Holofernes, en al het zilverwerk, en de bedden, en de bekkens,
931 15, 13| zilverwerk, en de bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad,
932 15, 13| de bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad, en zij
933 15, 13| bekkens, en al zijn huisraad, en zij nam het aan, en zij
934 15, 13| huisraad, en zij nam het aan, en zij legde het op haar muilezel
935 15, 13| legde het op haar muilezel en zij spande haar wagens in,
936 15, 13| zij spande haar wagens in, en zij laadde dat op dezelve.~
937 15, 14| 14 En al de vrouwen Israëls liepen
938 15, 14| te zamen om haar te zien, en zij zegenden haar, en zij
939 15, 14| zien, en zij zegenden haar, en zij maakten zich een rei
940 15, 15| 15 En nam groene takken in haar
941 15, 15| groene takken in haar handen, en gaf ook de vrouwen die bij
942 15, 15| vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen,
943 15, 15| waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren
944 15, 15| haar waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse
945 15, 15| leidende al de vrouwen, en alle mannen Israëls volgden
946 15, 15| volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.~
947 16, 1 | 1 EN Judith begon deze dankzegging
948 16, 1 | zingen onder gans Israël, en het gehele volk zong deze
949 16, 2 | 2 En Judith zeide: Begint de
950 16, 2 | mijn Here met cimbalen, en dicht Hem kunstig een nieuwe
951 16, 2 | een nieuwe Psalm; verheft, en roept zijn naam aan.~
952 16, 5 | verstopte de waterbeken, en hun ruiterij bedekte de
953 16, 6 | landpalen zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen
954 16, 6 | ombrengen door het zwaard, en mijn zuigelingen tegen de
955 16, 6 | zuigelingen tegen de aarde slaan, en mijn jonge kinderen tot
956 16, 6 | kinderen tot buit geven, en mijn maagden wegroven.~
957 16, 8 | gevallen door jonge mannen, en de kinderen der Titanen
958 16, 8 | hebben hem niet verslagen, en de grote reuzen hebben hem
959 16, 10| aangezicht met welriekende zalf, en had haar haar gebonden in
960 16, 10| gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding,
961 16, 11| hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid heeft zijn
962 16, 11| zijn ziel gevangen genomen, en de sabel is door zijn hals
963 16, 12| beefden voor haar stoutheid, en de Meden ontzetten zich
964 16, 13| juichten mijn nederigen, en riepen mijn zwakken, en
965 16, 13| en riepen mijn zwakken, en zij zijn verbaasd geworden;
966 16, 13| die verhieven hun stem, en zij zijn teruggekeerd.~
967 16, 14| vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen der overlopers
968 16, 16| 16 Here, gij zijt groot en heerlijk, wonderlijk in
969 16, 16| heerlijk, wonderlijk in kracht, en onverwinnelijk.~
970 16, 17| want gij hebt het gezegd, en zij zijn geworden. Gij hebt
971 16, 17| hebt uw geest uitgezonden, en hij heeft ze gebouwd, en
972 16, 17| en hij heeft ze gebouwd, en daar is niemand die uw stem
973 16, 19| is een klein ding voor u, en al het vette tot brandoffer
974 16, 21| 21 Hij zal vuur en wormen in hun vlees geven,
975 16, 21| wormen in hun vlees geven, en zij zullen door de pijn
976 16, 22| 22 En als zij nu te Jeruzalem
977 16, 22| waren, aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd
978 16, 22| offerden zij hun brandofferen en hun gewillige offeren, en
979 16, 22| en hun gewillige offeren, en hun gaven.~
980 16, 23| 23 En Judith hing op in de tempel
981 16, 23| het volk haar gegeven had, en het behangsel, dat zij uit
982 16, 24| 24 En het volk was vrolijk te
983 16, 24| heiligdom, drie maanden lang, en Judith bleef bij hen.~
984 16, 25| 25 En na die dagen trok een iegelijk
985 16, 25| iegelijk weder naar zijn erve, en Judith kwam weder naar Bethulië,
986 16, 25| kwam weder naar Bethulië, en bleef bij haar goederen.~
987 16, 26| 26 En zij was in haar tijd zeer
988 16, 27| 27 En velen begeerden haar te
989 16, 27| haar man Manasse gestorven, en tot zijn volk vergaderd
990 16, 28| 28 En zij nam zeer toe, en was
991 16, 28| 28 En zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd
992 16, 28| toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis
993 16, 28| mans, honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in
994 16, 28| haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië,
995 16, 28| zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in de
996 16, 28| spelonk van haar man Manasse, en het huis Israëls droeg zeven
997 16, 29| 29 En zij deelde haar goederen,
998 16, 29| vrienden van haar man Manasse, en aan de naaste vrienden van
999 16, 30| 30 En daar was niemand meer, die
1-500 | 501-999 |