1-500 | 501-552
Chapter, Verse
1 1, 1 | Nabuchodonosor, die regeerde in de grote stad Nineve in de
2 1, 1 | de grote stad Nineve in de dagen van Arfaxad, welke
3 1, 1 | Arfaxad, welke regeerde over de Meden te Ecbatana,~
4 1, 2 | die drie ellen waren in de breedte, en zes ellen in
5 1, 2 | breedte, en zes ellen in de lengte; en maakte de hoogte
6 1, 2 | in de lengte; en maakte de hoogte des muurs zeventig
7 1, 3 | En stelde zijn torens op de poorten dezer stad, van
8 1, 3 | stad, van honderd ellen in de hoogte.~
9 1, 4 | legde het fundament van de muren daarvan tot zestig
10 1, 4 | daarvan tot zestig ellen in de breedte.~
11 1, 5 | haar poorten verheven tot de hoogte van zeventig ellen,
12 1, 5 | breedte van veertig ellen, tot de uittocht van zijn machtige
13 1, 5 | machtige legers, en tot de ordeningen van zijn voetvolk.~
14 1, 6 | 6 En de koning Nabuchodonosor voerde
15 1, 6 | zelven dage krijg tegen de koning Arfaxad, in dat grote
16 1, 6 | hetwelk gelegen is aan de landpale Ragan; en bij hem
17 1, 6 | en allen die woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger,
18 1, 6 | woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes,
19 1, 6 | en aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en in het platte
20 1, 6 | platte land van Arioch, de koning der Elymeërs, en
21 1, 7 | 7 En Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, zond
22 1, 7 | Damaskus woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon,
23 1, 7 | allen die woonden langs de vlakte van de zeekant,~
24 1, 7 | woonden langs de vlakte van de zeekant,~
25 1, 8 | 8 Mitsgaders tot de volken van de berg Karmel,
26 1, 8 | Mitsgaders tot de volken van de berg Karmel, en van Gilead,
27 1, 9 | tot hun steden, en over de Jordaan tot Jeruzalem toe,
28 1, 9 | en Chellus, en Kades, en de rivier van Egypte, en Tafnesa,
29 1, 10| 10 Totdat men komt aan de overzijde van het gebergte
30 1, 10| woonden, totdat men komt aan de landpalen van Ethiopië.~
31 1, 11| 11 Doch al de inwoners dezes lands verachtten
32 1, 11| woord van Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, en
33 1, 12| zeker wreken zou over al de landpalen van Cilicië, en
34 1, 12| zwaard zou ombrengen al de inwoners van het land Moab,
35 1, 12| inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel
36 1, 12| waren, totdat men komt aan de landpalen van de twee zeeën.~
37 1, 12| komt aan de landpalen van de twee zeeën.~
38 1, 13| slagorden getrokken tegen de koning Arfaxad in het zeventiende
39 1, 13| zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn krijg
40 1, 13| deze zijn krijg en versloeg de ganse macht van Arfaxad,
41 1, 14| tot Ecbatana toe, en nam de torens in, en verwoestte
42 1, 15| 15 En hij ving Arfaxad in de gebergten Ragan, en doorschoot
43 2, 1 | het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag der
44 2, 1 | huis van Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, van
45 2, 2 | en hij stelde hun voor de verborgenheid van zijn raad,
46 2, 4 | zo riep Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, Holofernes,
47 2, 4 | der Assyriërs, Holofernes, de veldoverste zijns legers,
48 2, 4 | veldoverste zijns legers, die de tweede na hem was, en hij
49 2, 5 | 5 Dit zegt de grote koning, de heer der
50 2, 5 | Dit zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet
51 2, 5 | aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger,
52 2, 5 | en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal
53 2, 5 | hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse
54 2, 5 | zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.~
55 2, 6 | 6 Maar de ongehoorzamen zal uw oog
56 2, 6 | gij zult hen overgeven tot de dood, en tot een roof in
57 2, 6 | zo zeker als ik leef, en de macht mijns koninkrijks,
58 2, 7 | zijns heren, en riep al de machtigen, en de krijgsoversten,
59 2, 7 | riep al de machtigen, en de krijgsoversten, en de hoofdlieden
60 2, 7 | en de krijgsoversten, en de hoofdlieden van het leger
61 2, 7 | telde uitgelezen mannen tot de krijg, gelijk hem zijn heer
62 2, 8 | heeft hen in orde gesteld op de wijze als een menigte krijgsvolk
63 2, 11| met zijn ganse leger op de uittocht, en trok heen voor
64 2, 11| uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en
65 2, 12| Nineve drie dagreizen, op de vlakte van het veld Bektileth;
66 2, 12| leger van Bektileth af, bij de berg die aan de linkerzijde
67 2, 12| af, bij de berg die aan de linkerzijde ligt van Opper-Cilicië,
68 2, 13| alle kinderen van Gases, en de kinderen Ismaëls, die daar
69 2, 13| Ismaëls, die daar woonden aan de woestijn tegen het zuiden
70 2, 13| Chellon, en hij trok over de Eufraat, en trok door Mesopotamië,~
71 2, 14| steden die gelegen waren aan de beek Albonai, totdat men
72 2, 14| Albonai, totdat men komt aan de zee.~
73 2, 15| 15 En hij nam de landpalen van Cilicië in,
74 2, 15| wederstonden, en kwam tot aan de landpalen van Jafet, die
75 2, 16| 16 En hij omringde al de kinderen van Midian, en
76 2, 17| het veld van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst,
77 2, 17| Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde
78 2, 17| al hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.~
79 2, 18| overviel degenen, die aan de zee woonden, die daar waren
80 3, 4 | klein en groot vee, en al de stallen onzer woningen liggen
81 3, 7 | heerkracht trok af naar de zeekant,~
82 3, 8 | 8 En bezette de vaste steden, en nam daaruit
83 3, 11| hem besloten, dat hij al de goden des lands zou vernielen,~
84 3, 13| Dothea, welke ligt tegenover de grote engte van Judea.~
85 3, 14| maand stil, opdat hij al de bagage zijns legers bijeenvergaderde.~
86 4, 1 | 1 EN de kinderen Israëls, die in
87 4, 1 | hoorden al wat Holofernes, de krijgsoverste des konings
88 4, 2 | waren zeer bevreesd voor de stad Jeruzalem, en de tempel
89 4, 2 | voor de stad Jeruzalem, en de tempel des Heren huns Gods,
90 4, 2 | onlangs wedergekomen uit de gevangenis, en het ganse
91 4, 2 | vergaderd geweest uit Judea; en de vaten en het altaar en het
92 4, 2 | het huis Gods waren van de ontheiliging geheiligd.~
93 4, 3 | 3 En zij zonden in de ganse landpale van Samarië,
94 4, 3 | landpale van Samarië, en in de vlekken, en naar Bethhoron
95 4, 3 | dal Salem, en zij namen al de spitsen der hoge bergen
96 4, 4 | beschikten koren tot voorraad van de krijg, overmits hun velden
97 4, 5 | 5 En Joakim, de hogepriester, die in die
98 4, 5 | Jeruzalem was, schreef aan de inwoners van Bethulië, en
99 4, 5 | tegenover Esdrelon ligt, aan de vlakte des velds dat bij
100 4, 5 | Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen van het gebergte
101 4, 6 | 6 Dewijl daardoor de ingang was naar Judea, en
102 4, 6 | die opklimmen zouden, daar de toegang eng was, en uiterlijk
103 4, 7 | 7 En de kinderen Israëls deden naar
104 4, 7 | kinderen Israëls deden naar dat de hogepriester Joakim, en
105 4, 7 | hogepriester Joakim, en de raad des gansen volk Israëls,
106 4, 8 | 8 En al de mannen Israëls riepen tot
107 4, 10| Israëls en vrouwen, ook de kinderen, en die binnen
108 4, 13| eendrachtig en met ernst tot de God Israëls, dat hij toch
109 4, 13| hun vrouwen tot buit, noch de steden hunner erfenis tot
110 4, 13| tot ontheiliging en smaad, de heidenen tot vreugde.~
111 4, 14| 14 En de Here verhoorde hun stem,
112 4, 15| het heiligdom des Heren de almachtige.~
113 4, 16| 16 En Joakim de hogepriester, en al de priesters,
114 4, 16| Joakim de hogepriester, en al de priesters, die voor de Here
115 4, 16| al de priesters, die voor de Here stonden, en die de
116 4, 16| de Here stonden, en die de Here dienden, hun lendenen
117 4, 16| des gedurigen offers, en de beloften, en de vrijwillige
118 4, 16| offers, en de beloften, en de vrijwillige gaven des volks,
119 4, 17| 17 En zij riepen tot de Here van ganser kracht,
120 5, 1 | EN het werd Holofernes, de krijgsoverste van het heerleger
121 5, 1 | Assyriërs, geboodschapt dat de kinderen Israëls zich bereiden
122 5, 1 | Israëls zich bereiden tot de krijg, en dat zij de doorgangen
123 5, 1 | tot de krijg, en dat zij de doorgangen van het gebergte
124 5, 1 | gebergte besloten, en al de spitsen der hoge bergen
125 5, 1 | bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke velden beletsels
126 5, 2 | toornig, en hij riep al de oversten der Moabieten,
127 5, 2 | oversten der Moabieten, en de krijgsoversten der Ammonieten,
128 5, 2 | krijgsoversten der Ammonieten, en al de vorsten van het land aan
129 5, 2 | vorsten van het land aan de zee.~
130 5, 3 | zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger,
131 5, 4 | 4 En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben, dat
132 5, 5 | 5 En Achior, de overste van al de kinderen
133 5, 5 | Achior, de overste van al de kinderen Ammons, zeide tot
134 5, 5 | hoor toch een woord uit de mond uws knechts, en ik
135 5, 5 | uws knechts, en ik zal u de waarheid verhalen van dit
136 5, 5 | en geen leugen zal uit de mond uws knechts gaan.~
137 5, 6 | 6 Dit volk komt af van de Chaldeeën.~
138 5, 7 | Want zij wilden niet volgen de goden hunner vaderen, welke
139 5, 8 | 8 En zijn afgetreden van de weg hunner vaderen, en hebben
140 5, 8 | hunner vaderen, en hebben de God des hemels aangebeden,
141 5, 8 | God des hemels aangebeden, de God die zij kenden, en die
142 5, 10| 10 En de koning van Egypte stond
143 5, 11| niet te genezen waren en de Egyptenaars dreven hen uit
144 5, 12| 12 En God heeft de Rode zee voor hen uitgedroogd.~
145 5, 13| En heeft hen geleid naar de weg van de berg Sinaï, en
146 5, 13| hen geleid naar de weg van de berg Sinaï, en Kades-Barneä
147 5, 13| hebben verdreven allen die de woestijn bewoonden.~
148 5, 15| 15 En hebben al de Esebonieten uitgeroeid door
149 5, 16| 16 En door de Jordaan getrokken zijnde,~
150 5, 18| van voor hun aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet,
151 5, 18| aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet,
152 5, 18| Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet,
153 5, 18| Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen;
154 5, 18| en de Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij hebben
155 5, 20| toen zij afgeweken zijn van de weg, die hij hun had voorgesteld,
156 5, 21| weggevoerd in een vreemd land, en de tempel huns Gods is tot
157 5, 21| tempel huns Gods is tot de grond toe afgeworpen, en
158 5, 25| volk murmureerde, hetwelk de tent omringde en daar rondom
159 5, 26| 26 En de geweldigen van Holofernes,
160 5, 26| Holofernes, en die het land aan de zee, en der Moabieten bewoonden,
161 5, 26| zij, wij vrezen niet voor de kinderen Israëls, want ziet
162 6, 1 | gemurmel der mannen, die rondom de vergadering waren, ophield,
163 6, 1 | ophield, zo zei Holofernes de overste des heerlegers der
164 6, 3 | als één man, en zij zullen de kracht van onze paarden
165 6, 4 | Zo zegt Nabuchodonosor, de heer des gehelen aardrijks,
166 6, 4 | hij heeft het gezegd, en de woorden zijner rede zullen
167 6, 5 | woorden gesproken hebt, in de dag uwer ongerechtigheid,
168 6, 7 | heenvoeren, en hem overleveren in de handen der kinderen Israëls.~
169 6, 8 | gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder Bethulië
170 6, 8 | onder Bethulië waren; en als de mannen der stad hen op de
171 6, 8 | de mannen der stad hen op de spits des bergs zagen, namen
172 6, 8 | wapenen en trokken buiten de stad naar de spits des bergs
173 6, 8 | trokken buiten de stad naar de spits des bergs toe, en
174 6, 8 | bergs toe, en allen die met de slinger wierpen beletten
175 6, 9 | Maar zij, bedekt onder aan de berg komende, bonden Achior,
176 6, 9 | Achior, en nadat zij hem aan de voet des bergs geworpen
177 6, 10| 10 Maar de kinderen Israëls kwamen
178 6, 11| 11 En stelden hem voor de oversten van hun stad, welke
179 6, 11| op die tijd waren Ozias, de zoon van Mika, uit de stam
180 6, 11| Ozias, de zoon van Mika, uit de stam Simeon, en Abris, de
181 6, 11| de stam Simeon, en Abris, de zoon van Gothoniël, en Charmis,
182 6, 11| van Gothoniël, en Charmis, de zoon van Malchiël.~
183 6, 12| 12 En zij riepen al de oudsten der stad bijeen,
184 6, 12| en al hun jongelingen, en de vrouwen liepen tezamen tot
185 6, 12| vrouwen liepen tezamen tot de vergadering. En zij stelden
186 6, 13| antwoordende, verhaalde hun de woorden van de raad van
187 6, 13| verhaalde hun de woorden van de raad van Holofernes en al
188 6, 13| raad van Holofernes en al de woorden die hij gesproken
189 6, 13| gesproken had in het midden van de oversten der kinderen van
190 6, 15| hoogmoed, en ontferm u over de vernedering van ons geslacht,
191 6, 17| En Ozias nam hem mee uit de vergadering in zijn huis,
192 6, 17| bereidde een maaltijd voor de oudsten,~
193 6, 18| 18 En zij riepen de God Israëls aan om hulp,
194 7, 1 | optrekken naar Bethulië, en de toegangen van het gebergte
195 7, 1 | eerst innemen, en dat men de kinderen Israëls de krijg
196 7, 1 | men de kinderen Israëls de krijg zou aandoen.~
197 7, 2 | twaalfduizend te paard, behalve de krijgsrusting; en daar was
198 7, 3 | het dal bij Bethulië aan de fontein, en zij strekten
199 7, 3 | zij strekten zich uit in de breedte naar Dothaïm tot
200 7, 3 | Dothaïm tot Belthem toe, en in de lengte van onder Bethulië,
201 7, 4 | 4 De kinderen Israëls nu als
202 7, 4 | werden zeer ontroerd, en de een zeide tot de ander:
203 7, 4 | ontroerd, en de een zeide tot de ander: Deze zullen nu het
204 7, 4 | land opslikken, en noch de hoge bergen, noch de dalen,
205 7, 4 | noch de hoge bergen, noch de dalen, noch de heuvelen
206 7, 4 | bergen, noch de dalen, noch de heuvelen zullen onder deze
207 7, 5 | bleven die gehele nacht op de wacht.~
208 7, 6 | 6 Maar de tweede dag voerde Holofernes
209 7, 6 | Bethulië waren, en bezichtigde de toegangen naar de stad.~
210 7, 6 | bezichtigde de toegangen naar de stad.~
211 7, 7 | 7 En kwam aan de waterfontein, en nam ze
212 7, 8 | 8 En tot hen kwamen al de oversten van de kinderen
213 7, 8 | kwamen al de oversten van de kinderen Ezau's, en al de
214 7, 8 | de kinderen Ezau's, en al de leidslieden der Moabieten,
215 7, 8 | leidslieden der Moabieten, en de krijgsoversten des lands
216 7, 8 | krijgsoversten des lands aan de zee, en zeiden: Mijn heer
217 7, 9 | 9 Want dit volk van de kinderen Israëls verlaat
218 7, 9 | op hun spiesen, maar op de hoogte van hun bergen, waarin
219 7, 9 | want het is niet licht de spitsen van hun bergen te
220 7, 10| in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, en
221 7, 10| laat maar uw dienstknechten de waterfontein bemachtigen,
222 7, 10| waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt,
223 7, 10| daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen
224 7, 10| wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen
225 7, 10| dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen
226 7, 10| zij nedergeveld worden op de straten hunner woning. En
227 7, 12| Ammons, en vijfduizend uit de kinderen van Assur met hen
228 7, 12| leger in het dal, en namen de waterleidingen en fonteinen
229 7, 12| waterleidingen en fonteinen van de kinderen Israëls eerst in,
230 7, 12| kinderen Israëls eerst in, en de kinderen Ezau's, en de kinderen
231 7, 12| en de kinderen Ezau's, en de kinderen Ammons klommen
232 7, 12| Dothaïm, en zonden enigen uit de hunnen tegen het zuiden
233 7, 12| bij Chus, die is omtrent de beek Mochmor; en het overige
234 7, 13| 13 En de kinderen Israëls riepen
235 7, 13| kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest
236 7, 13| en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan
237 7, 13| watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en
238 7, 13| en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen
239 7, 13| op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten,
240 7, 13| tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen
241 7, 13| luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter
242 7, 13| vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.~
243 7, 15| roept hen tot u, en geeft de gehele stad over tot buit
244 7, 16| ogen niet zien sterven, en de zielen van onze vrouwen
245 7, 17| nemen tegen u tot getuigen de hemel en de aarde, en onze
246 7, 17| tot getuigen de hemel en de aarde, en onze God en Here
247 7, 17| naar onze misdaden, en naar de misdaden onzer vaderen,
248 7, 17| doe naar deze woorden op de dag van heden.~
249 7, 18| vergadering, en zij riepen tot God de Here met luider stem.~
250 7, 19| standvastig blijven, waarin de Here onze God zijn barmhartigheid
251 7, 20| legerplaats, en zij zijn naar de muren en torens van hun
252 7, 20| heengegaan; en hij heeft de vrouwen en kinderen naar
253 7, 20| in grote vernedering in de stad.~
254 8, 1 | een dochter van Merari, de zoon van Ors, de zoon van
255 8, 1 | Merari, de zoon van Ors, de zoon van Jozef, de zoon
256 8, 1 | Ors, de zoon van Jozef, de zoon van Oziël, de zoon
257 8, 1 | Jozef, de zoon van Oziël, de zoon van Helkia, de zoon
258 8, 1 | Oziël, de zoon van Helkia, de zoon van Ananias, de zoon
259 8, 1 | Helkia, de zoon van Ananias, de zoon van Gedeon, de zoon
260 8, 1 | Ananias, de zoon van Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon
261 8, 1 | Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon van Akitho, de zoon
262 8, 1 | Rafam, de zoon van Akitho, de zoon van Elia, de zoon van
263 8, 1 | Akitho, de zoon van Elia, de zoon van Eliab, de zoon
264 8, 1 | Elia, de zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël, de zoon
265 8, 1 | de zoon van Nathanaël, de zoon van Salamiël, de zoon
266 8, 1 | Nathanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadaï, de zoon
267 8, 1 | de zoon van Sarasadaï, de zoon van Israël.~
268 8, 2 | en hij was gestorven in de dagen des gerstenoogstes.~
269 8, 3 | hij stond bij degene die de schoven bond in het veld,
270 8, 3 | schoven bond in het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd,
271 8, 4 | Judith was in haar huis, in de weduwelijke staat, drie
272 8, 6 | 6 En zij vastte al de dagen van haar weduwschap,
273 8, 6 | weduwschap, behalve alleen de dagen voor de sabbat en
274 8, 6 | behalve alleen de dagen voor de sabbat en de sabbatdagen,
275 8, 6 | dagen voor de sabbat en de sabbatdagen, en de dagen
276 8, 6 | sabbat en de sabbatdagen, en de dagen voor de nieuwe maan
277 8, 6 | sabbatdagen, en de dagen voor de nieuwe maan en de dagen
278 8, 6 | dagen voor de nieuwe maan en de dagen der nieuwe maan, en
279 8, 6 | dagen der nieuwe maan, en de feestdagen en de dagen der
280 8, 6 | maan, en de feestdagen en de dagen der vreugde van het
281 8, 9 | 9 En Judithl hoorde de kwade woorden des volks
282 8, 9 | woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig
283 8, 9 | kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters;
284 8, 9 | en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen
285 8, 9 | hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de
286 8, 9 | de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen;
287 8, 9 | en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.~
288 8, 10| gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die gij gesproken
289 8, 10| en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan
290 8, 10| indien binnen deze dagen de Here zich niet wendt om
291 8, 11| gijlieden, dat gij God op de huidige dag hebt verzocht,
292 8, 11| gezet, in het midden van de kinderen der mensen.~
293 8, 12| 12 En gij onderzoekt nu de Here, de Almachtige, maar
294 8, 12| gij onderzoekt nu de Here, de Almachtige, maar zult in
295 8, 13| 13 Want de diepte van het hart des
296 8, 13| doorgronden, en kunt niet vatten de woorden zijner bedenking,
297 8, 13| bedenking, en hoe zult gij de God die al deze dingen geschapen
298 8, 14| alzo, broeders, verwekt de Here, onze God, niet tot
299 8, 14| niet helpen wil, hij heeft de macht om ons te beschutten
300 8, 15| 15 Doch stelt gij de raadslagen van de Here,
301 8, 15| stelt gij de raadslagen van de Here, onze God, niet ten
302 8, 17| is opgestaan, en ook op de huidige dag geen stam is,
303 8, 17| noch stad onder ons, welke de goden dient, die met handen
304 8, 18| 18 Gelijk wel in de vorige dagen is geschied,
305 8, 20| zullen beroofd worden, en de Here, onze God, zal de ontheiliging
306 8, 20| en de Here, onze God, zal de ontheiliging derzelve van
307 8, 20| onze mond eisen, en hij zal de dood onzer broederen, en
308 8, 20| dood onzer broederen, en de gevangenis des lands, en
309 8, 20| gevangenis des lands, en de verwoesting onzer erve op
310 8, 20| op ons hoofd wenden onder de heidenen, waar wij ook zullen
311 8, 20| worden tot genade, maar de Here, onze God, zal ze tot
312 8, 21| Boven dit alles, laat ons de Here, onze God, danken die
313 8, 23| het land Syrië, als hij de schapen hoedde van Laban,
314 8, 24| zich niet over ons, maar de Here kastijdt degenen, die
315 8, 25| bekend, gelijkerwijs ook de bedenking uws harten goed
316 8, 25| beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen,
317 8, 26| een godvrezende vrouw, en de Here zal de regen zenden,
318 8, 26| godvrezende vrouw, en de Here zal de regen zenden, opdat onze
319 8, 28| Gijlieden zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal met
320 8, 28| na welke gij gezegd hebt de stad aan onze vijanden over
321 8, 28| vijanden over te geven, zal de Here Israël door mijn hand
322 8, 30| 30 En Ozias en de oversten zeiden tot haar:
323 8, 30| tot haar: Ga in vrede, en de Here God ga voor u tot wraak
324 9, 1 | haar hoofd, en ontblootte de zak, die zij aan had, en
325 9, 1 | zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem in
326 9, 1 | riep met luider stem tot de Here, en zeide:~
327 9, 2 | gegeven hebt tot wraak over de vreemden, die de schoot
328 9, 2 | wraak over de vreemden, die de schoot der maagd geopend
329 9, 2 | hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot
330 9, 2 | hadden tot schaamte, en de schoot bevlekt hadden tot
331 9, 2 | had, tot bloed, en hebt de knechten geslagen met de
332 9, 2 | de knechten geslagen met de geweldigen, en de geweldigen
333 9, 2 | geslagen met de geweldigen, en de geweldigen op hun tronen.~
334 9, 3 | dochteren in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder
335 9, 3 | gruwel gehad hebben over de bevlekking huns bloeds,
336 9, 4 | 4 Want gij hebt de dingen gedaan, welke voor
337 9, 4 | daarna zijn geschied, en weet de dingen die nu zijn, en die
338 9, 6 | 6 Want ziet, de Assyriërs zijn vermenigvuldigd
339 9, 6 | en ruiters, en roemen op de arm van hun voetvolk. Zij
340 9, 6 | en weten niet, dat gij de Here zijt, die de krijgen
341 9, 6 | dat gij de Here zijt, die de krijgen verplettert; Here
342 9, 9 | 9 En te bevlekken de tabernakel der rust van
343 9, 9 | breekijzer om te werpen de hoorn van uw altaar.~
344 9, 12| ik, die een weduwe ben) de sterkte, die ik bedacht
345 9, 13| mijn bedriegelijke lippen de knecht met de overste, en
346 9, 13| bedriegelijke lippen de knecht met de overste, en de overste met
347 9, 13| knecht met de overste, en de overste met zijn dienaar.~
348 9, 14| Breek hun hoogmoed door de hand ener vrouw.~
349 9, 15| Want uw sterkte is niet in de menigte, noch uw vermogen
350 9, 15| menigte, noch uw vermogen in de geweldigen, maar gij zijt
351 9, 18| geheiligd thuis, en tegen de spits des bergs Sion, en
352 9, 19| wete en bevinde, dat gij de God zijt aller kracht en
353 10, 1 | zij ophield van roepen tot de God Israëls, en al deze
354 10, 2 | waar zij zich ophield in de dagen der sabbatten, en
355 10, 2 | feestdagen, en zij legde de zak af, waarmede zij bekleed
356 10, 3 | waarmede zij bekleed was in de dagen van het leven haars
357 10, 4 | zich zeer, tot bedrog van de ogen der mannen, zovelen
358 10, 6 | 6 En zij gingen uit naar de poort der stad Bethulië,
359 10, 6 | aan deze staande Ozias, en de oudsten der stad Chabrin
360 10, 8 | En zeiden tot haar: God, de God onzer vaderen, make
361 10, 8 | aanslagen, tot roem van de kinderen Israëls en verhoging
362 10, 9 | tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan
363 10, 9 | worde en ik zal uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan
364 10, 9 | gesproken, en zij bevalen de jongelingen haar open te
365 10, 10| haar maagd met haar, en de mannen der stad zagen haar
366 10, 10| zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat
367 10, 11| in het dal recht heen en de voorwacht der Assyriërs
368 10, 13| aangezicht van Holofernes de veldoverste uws legers,
369 10, 14| 14 Als nu de mannen haar woorden hoorden,
370 10, 16| en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en
371 10, 16| aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en
372 10, 16| gelijk zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat
373 10, 16| Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan
374 10, 16| zij verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil,
375 10, 16| Israëls om harentwil, en de een zeide tot de ander:
376 10, 16| harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk
377 10, 17| 17 En de kamerlingen van Holofernes,
378 10, 17| uit, en brachten haar in de tent.~
379 10, 18| haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden
380 10, 19| verwonderden zij zich allen over de schoonheid haars aanschijns,
381 11, 1 | gedaan, die Nabuchodonosor, de koning der ganse aarde,
382 11, 3 | weldoen, gelijk als geschiedt de knechten mijns heren, van
383 11, 3 | knechten mijns heren, van de koning Nabuchodonosor.~
384 11, 4 | Judith zeide tot hem: Neem de woorden uwer dienstmaagd
385 11, 4 | boodschappen. En indien gij de woorden uwer dienstmaagd
386 11, 4 | zult volgen, zo zal God de zaak met u volkomen uitvoeren,
387 11, 5 | waar als Nabuchodonosor, de koning der gehele aarde,
388 11, 5 | richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen,
389 11, 5 | door u hem dienen, maar ook de dieren des velds en de beesten,
390 11, 5 | ook de dieren des velds en de beesten, en de vogelen des
391 11, 5 | velds en de beesten, en de vogelen des hemels zullen
392 11, 6 | wijsheid gehoord, en van de vernuftige daden uws harten,
393 11, 6 | wetenschap, en wonderlijk in de krijgsordeningen.~
394 11, 7 | 7 En nu wat aangaat de rede, die Achior gesproken
395 11, 7 | woorden gehoord, dewijl hem de mannen van Bethulië gekregen
396 11, 9 | richten zou zijn, zo is de dood hun over het aanschijn
397 11, 10| 10 Want dewijl hun de spijs ontbroken heeft, en
398 11, 10| hebben zij beraadslaagd de hand te slaan aan hun lastbeesten,
399 11, 11| voorgenomen tot spijs te gebruiken de eerstelingen van koren,
400 11, 11| eerstelingen van koren, en de tienden van wijn en van
401 11, 11| hebben en geheiligd voor de priesters, die te Jeruzalem
402 11, 11| niemand uit het volk met de handen betaamt aan te raken.~
403 11, 12| die hun zouden overbrengen de toelating van de raad; en
404 11, 12| overbrengen de toelating van de raad; en het zal geschieden,
405 11, 14| God, dienende nacht en dag de God des hemels. En nu ik
406 12, 1 | men haar brengen zou in de kamer waar zijn zilverwerk
407 12, 4 | hetgeen ik bij mij heb, of de Here zal door mijn hand
408 12, 5 | 5 En de dienaars van Holofernes
409 12, 5 | Holofernes brachten haar in de tent, en zij sliep tot de
410 12, 5 | de tent, en zij sliep tot de middernacht; en zij stond
411 12, 5 | middernacht; en zij stond op tegen de morgenwake.~
412 12, 7 | wies zich in het leger, in de waterfonteinen.~
413 12, 8 | zij weder opkwam, bad zij de Here, de God Israëls, dat
414 12, 8 | opkwam, bad zij de Here, de God Israëls, dat Hij haar
415 12, 8 | wilde, tot oprichting van de kinderen haars volks.~
416 12, 9 | inkomende, bleef zij rein in de tent, totdat men haar haar
417 12, 9 | haar spijs bracht tegen de avond.~
418 12, 10| 10 En het geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes
419 12, 10| daartoe dergenen, die over de gemene zaken waren, en hij
420 12, 10| en hij zeide tot Bagoas de kamerling, welke over alles
421 12, 10| Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw die bij
422 12, 12| kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw zich niet
423 12, 12| dag te worden als een van de dochteren der Assyriërs,
424 12, 14| verheuging zijn, tot aan de dag mijns doods.~
425 12, 15| recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij
426 12, 15| Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas
427 12, 16| te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te
428 12, 16| om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien
429 12, 18| dan het geweest is van al de dagen mijner geboorte.~
430 13, 1 | te scheiden, Bagoas sloot de tent van buiten toe, en
431 13, 2 | waren allen vermoeid, omdat de maaltijd zeer lang geduurd
432 13, 2 | Judith werd alleen gelaten in de tent.~
433 13, 3 | zijn bed gevallen, want de wijn had hem zeer bevangen.~
434 13, 4 | noch klein noch groot, in de slaapkamer gelaten.~
435 13, 6 | kracht, zie te dezer ure aan de werken mijner handen, tot
436 13, 6 | Jeruzalems, want het is nu de rechte tijd, om uw erve
437 13, 7 | 7 En zij ging naar de sponde van het bed, die
438 13, 10| En nam het behangsel van de pilaren weg.~
439 13, 11| over, en die stak het in de zak harer spijs.~
440 13, 12| dal heen, en klommen op de berg der stad Bethulië,
441 13, 13| van verre tot degenen, die de wacht hadden over de poorten:
442 13, 13| die de wacht hadden over de poorten: Doet open! doet
443 13, 13| poorten: Doet open! doet toch de poort open, God, onze God,
444 13, 13| bewijzen in Israël, en tegen de vijanden, gelijk hij ook
445 13, 14| 14 En het geschiedde als de mannen dier stad haar stem
446 13, 14| stadspoort, en zij riepen de oudsten der stad bijeen.~
447 13, 15| liepen allen tezamen van de minste tot de meeste, want
448 13, 15| tezamen van de minste tot de meeste, want het dacht hun
449 13, 15| dat zij kwam en zij deden de poort open, en ontvingen
450 13, 19| hoofd van Holofernes uit de zak, en toonde het, en zeide
451 13, 19| het hoofd van Holofernes, de veldoverste van het leger
452 13, 19| in zijn dronkenschap, en de Here heeft hem geslagen
453 13, 19| heeft hem geslagen door de hand ener vrouw.~
454 13, 20| 20 En zo waarachtig als de Here leeft, die mij bewaard
455 13, 22| gij, o onze God, die op de huidige dag de vijanden
456 13, 22| God, die op de huidige dag de vijanden van uw volk teniet
457 13, 23| zijt gij, o dochter, voor de hoogste God, boven alle
458 13, 23| boven alle vrouwen, die op de aarde zijn.~
459 13, 24| 24 En geloofd zij de Here God, die de hemel en
460 13, 24| geloofd zij de Here God, die de hemel en de aarde geschapen
461 13, 24| Here God, die de hemel en de aarde geschapen heeft, die
462 13, 24| verwonding des hoofds van de overste onzer vijanden.~
463 13, 25| het hart der mensen, die de kracht Gods zullen gedenken,
464 14, 1 | hoofd, en hangt dat uit, op de tinne van onze stadsmuur.~
465 14, 2 | 2 En wanneer de morgenstond zal aanlichten,
466 14, 2 | morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo
467 14, 2 | zijt, zult uitgaan buiten de stad, en zult een overste
468 14, 2 | nederdalen in het veld, tegen de eerste wacht der kinderen
469 14, 3 | legers heentrekken, en zullen de hoofdlieden van het leger
470 14, 4 | zullen gelijkelijk lopen tot de tent van Holofernes, en
471 14, 5 | mitsgaders allen die in de gehele landpale Israëls
472 14, 6 | doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie
473 14, 6 | die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en
474 14, 6 | hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de
475 14, 6 | de hand van een man onder de vergadering des volks, zo
476 14, 6 | verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad
477 14, 6 | hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan
478 14, 7 | Achior ziende al hetgeen de God Israëls gedaan had,
479 14, 8 | 8 Wanneer nu de morgenstond aanbrak, zo
480 14, 8 | hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle mannen
481 14, 8 | vielen uit met benden tot aan de opgang des bergs, en de
482 14, 8 | de opgang des bergs, en de Assyriërs, zo haast zij
483 14, 9 | gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en
484 14, 10| toch onze heer op, want de slaven durven tot ons nederkomen
485 14, 10| durven tot ons nederkomen in de krijg, opdat zij geheel
486 14, 11| ging binnen, en klopte aan de voorzaal der tent:,~
487 14, 13| deed hij open, en kwam in de slaapkamer.~
488 14, 14| 14 En vond hem dood op de vloer geworpen, en zijn
489 14, 15| 15 En hij ging in de tent waar Judith zich ophield,
490 14, 16| 16 Als nu de oversten van het leger der
491 15, 1 | 1 EN als die in de tenten waren dat hoorden,
492 15, 2 | Bethulië, werden ook op de vlucht gebracht.~
493 15, 3 | alle strijdbare mannen van de kinderen Israëls.~
494 15, 4 | was, opdat zij allen op de vijanden zouden uitvallen,
495 15, 5 | 5 Als nu de kinderen Israëls zulks gehoord
496 15, 7 | 7 De anderen nu, die te Bethulië
497 15, 8 | 8 En de kinderen Israëls wedergekeerd
498 15, 8 | wedergekeerd zijnde van de slag, vermeesterden de overigen;
499 15, 8 | van de slag, vermeesterden de overigen; en de vlekken
500 15, 8 | vermeesterden de overigen; en de vlekken en de steden in
1-500 | 501-552 |