Chapter, Verse
1 2, 5 | zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij
2 2, 7 | de krijg, gelijk hem zijn heer bevolen had, tot honderdentwintigduizend,
3 5, 23| 23 En nu, heersende heer, zo er misdaad in dit volk
4 5, 24| hun volk is, zo ga, mijn heer, hen voorbij, opdat hun
5 5, 27| zo zullen wij optrekken heer Holofernes en zij zullen
6 6, 4 | zegt Nabuchodonosor, de heer des gehelen aardrijks, want
7 6, 9 | en keerden weder tot hun heer.~
8 7, 8 | de zee, en zeiden: Mijn heer hore toch een woord, opdat
9 7, 10| 10 En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk
10 7, 10| behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten
11 7, 12| 12 En het heer der kinderen Ammons, en
12 11, 4 | en ik zal deze nacht mijn heer geen leugen boodschappen.
13 11, 4 | volkomen uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen van zijn
14 11, 7 | heeft. Daarom, heersende heer, verwerp zijn rede niet,
15 11, 9 | 9 Maar nu, opdat mijn heer niet tevergeefs en zonder
16 11, 14| zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal des
17 11, 20| zij, en degenen die mijn heer verachten, verdorven worden.~
18 12, 4 | als uw ziel leeft, mijn heer, uw dienstmaagd zal niet
19 12, 6 | Holofernes, zeggende: Mijn heer beveel toch, dat men toelate
20 12, 12| niet bezware zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aanschijn
21 12, 13| hem: Wie ben ik, die mijn heer zou tegenspreken?~
22 12, 18| 18 En Judith zeide: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn
23 13, 1 | gaan allen, die voor zijn heer stonden.~
24 14, 10| 10 Wek toch onze heer op, want de slaven durven
25 16, 14| zij zijn vergaan door het heer des Heren, mijns Gods.~
|