Chapter, Verse
1 6, 2 | 2 Wie zijt gij toch Achior, en gij
2 6, 2 | gij die van Efraïm gehuurd zijt, dat gij heden onder ons
3 8, 11| 11 En nu, wie zijt gijlieden, dat gij God op
4 8, 26| bid gij voor ons, want gij zijt een godvrezende vrouw, en
5 9, 6 | weten niet, dat gij de Here zijt, die de krijgen verplettert;
6 9, 15| de geweldigen, maar gij zijt een God der nederigen; gij
7 9, 15| een God der nederigen; gij zijt een helper der kleinen,
8 9, 19| bevinde, dat gij de God zijt aller kracht en sterkte,
9 10, 11| en vraagden haar: Wiens zijt gij? en vanwaar komt gij?
10 10, 16| gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart,
11 11, 3 | gevloden en tot ons gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis;
12 11, 6 | aardrijk, dat gij alleen kloek zijt in geheel het koninkrijk,
13 11, 21| 21 En nu, gij zijt schoon van gestalte en kloek
14 12, 17| tot haar: Drink toch, en zijt met ons vrolijk.~
15 13, 22| eendrachtiglijk: Geloofd zijt gij, o onze God, die op
16 13, 23| zeide tot haar: Gezegend zijt gij, o dochter, voor de
17 13, 25| wil van ons geslacht, maar zijt onze val tegengegaan, dewijl
18 14, 2 | allen, die kloeke mannen zijt, zult uitgaan buiten de
19 14, 6 | haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda,
20 15, 11| 11 Gij zijt de verhoging Israëls, gij
21 15, 11| de verhoging Israëls, gij zijt een grote heerlijkheid Israëls.
22 15, 11| heerlijkheid Israëls. Gij zijt een grote roem van ons geslacht.
23 15, 11| een welgevallen daaraan. Zijt gezegend voor de Almachtige
24 16, 16| 16 Here, gij zijt groot en heerlijk, wonderlijk
|