Chapter, Verse
1 5, 5 | dit gebergte bewoont; en geen leugen zal uit de mond uws
2 5, 24| 24 Maar zo daar geen ongerechtigheid onder hun
3 5, 26| ziet het is een volk waarin geen kracht is, noch macht tot
4 6, 6 | ik het het gesproken, en geen mijner woorden zal ontvallen.~
5 7, 8 | woord, opdat zijn heerleger geen afbreuk lijde,~
6 7, 13| omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten;
7 7, 13| werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging
8 7, 13| der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het
9 7, 13| onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken
10 7, 14| 14 En nu is er geen helper voor ons, maar God
11 7, 20| zo deze voorbijgaan, en geen hulp over ons komt, zo zal
12 8, 17| en ook op de huidige dag geen stam is, noch geslacht,
13 8, 19| 19 Maar wij erkennen geen andere God dan hem, waarom
14 9, 15| een behouder dergenen, die geen hoop hebben.~
15 9, 19| kracht en sterkte, en dat er geen ander beschutter van het
16 11, 1 | niet bevreesd, want ik heb geen mens leed gedaan, die Nabuchodonosor,
17 11, 4 | zal deze nacht mijn heer geen leugen boodschappen. En
18 11, 8 | over ons geslacht wordt geen wraak genomen, en het zwaard
19 11, 14| macht uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.~
20 11, 16| drijven gelijk schapen, die geen herder hebben, en daar zal
21 12, 2 | daarvan niet eten, opdat geen aanstoot daaruit ontsta,
22 13, 20| zijn verderf, en hij heeft geen zonde tot bevlekking en
23 15, 2 | 2 En daar was geen mens die staande bleef voor
24 16, 27| begeerden haar te hebben, maar geen man bekende haar al de dagen
|