Chapter, Verse
1 1, 6 | en bij hem voegden zich allen, die aan dat gebergte woonden,
2 1, 6 | dat gebergte woonden, en allen die woonden aan de Eufraat,
3 1, 7 | der Assyriërs, zond tot allen die in Perzië woonden, en
4 1, 7 | in Perzië woonden, en tot allen die tegen het westen woonden,
5 1, 7 | Libanon en Antilibanon, en allen die woonden langs de vlakte
6 1, 9 | 9 En tot allen die in Samaria waren, en
7 1, 10| Tanis en Memfis, en tot allen, die in Egypte woonden,
8 1, 12| Ammon, en geheel Judea, en allen die in Egypte waren, totdat
9 2, 15| Cilicië in, en versloeg allen, die hem wederstonden, en
10 2, 18| woonden te Sur en Okina, en allen die daar woonden tot Jemnaän;
11 5, 13| en zij hebben verdreven allen die de woestijn bewoonden.~
12 6, 8 | spits des bergs toe, en allen die met de slinger wierpen
13 7, 10| deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen,
14 7, 18| eendrachtig geschrei van allen in het midden der vergadering,
15 10, 19| kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid haars
16 13, 1 | toe, en deed van zich gaan allen, die voor zijn heer stonden.~
17 13, 2 | hun bedden, want zij waren allen vermoeid, omdat de maaltijd
18 13, 4 | gesproken; en zij gingen allen weg van haar aanschijn,
19 13, 15| 15 En zij liepen allen tezamen van de minste tot
20 14, 2 | krijgsuitrusting nemen, en gij allen, die kloeke mannen zijt,
21 14, 5 | achtervolgen, mitsgaders allen die in de gehele landpale
22 15, 4 | geschied was, opdat zij allen op de vijanden zouden uitvallen,
23 15, 5 | gehoord hadden, vielen zij allen eendrachtiglijk op hen aan
24 15, 10| inkwamen, zegenden zij haar allen eendrachtig, en zeiden tot
|