Chapter, Verse
1 2, 5 | ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met
2 2, 5 | toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de
3 2, 11| Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht des lands tegen het westen
4 5, 8 | hebben hen verdreven van het aangezicht hunner goden; en zij zijn
5 5, 11| Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.~
6 5, 18| zij verdreven van voor hun aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet,
7 6, 5 | ongerechtigheid, gij zult mijn aangezicht niet meer zien, van deze
8 6, 6 | gevangen worden, zo laat uw aangezicht niet vervallen, ik het het
9 7, 12| veld, en bedekte het gehele aangezicht des lands, en hun tenten,
10 9, 1 | 1 EN Judith viel op haar aangezicht, en legde as op haar hoofd,
11 10, 7 | haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld en haar kleding
12 10, 13| 13 En ik kom tot het aangezicht van Holofernes de veldoverste
13 10, 14| woorden hoorden, en haar aangezicht aanmerkten, zo was het voor
14 10, 15| hebt af te komen tot het aangezicht onzes heren. En nu, ga voort
15 10, 19| En als Judith voor zijn aangezicht en dat zijner dienaren kwam,
16 10, 19| zij, nedervallende op haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten
17 11, 13| alles wetende, ben van hun aangezicht gevloden, en God heeft mij
18 11, 19| einde, in schoonheid van aangezicht, en wijsheid van spreken.~
19 13, 20| heengegaan ben, dat mijn aangezicht hem heeft verleid tot zijn
20 14, 4 | vallen, en zij zullen voor uw aangezicht vlieden.~
21 14, 6 | volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen;
22 16, 8 | door de schoonheid van haar aangezicht.~
23 16, 10| 10 Zij zalfde haar aangezicht met welriekende zalf, en
24 16, 18| steenrotsen zullen van uw aangezicht, gelijk was, versmelten.~
|