Chapter, Verse
1 2, 1 | werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, de koning
2 2, 10| en zilver uit des konings huis, zeer veel.~
3 4, 2 | vaten en het altaar en het huis Gods waren van de ontheiliging
4 4, 17| kracht, dat hij het gehele huis Israëls ten goede bezoeken
5 6, 13| had gesproken tegen het huis Israëls.~
6 6, 17| uit de vergadering in zijn huis, en bereidde een maaltijd
7 8, 4 | 4 En Judith was in haar huis, in de weduwelijke staat,
8 8, 5 | tent op het dak van haar huis, en deed een zak om haar
9 8, 6 | dagen der vreugde van het huis Israëls.~
10 8, 21| en het heiligdom, en het huis Gods, en het altaar steunt
11 9, 1 | dat te Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk van die
12 9, 18| bergs Sion, en tegen het huis der bezitting van uw kinderen;~
13 10, 2 | en kwam beneden in het huis, waar zij zich ophield in
14 11, 5 | Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.~
15 11, 21| zijn, en gij zult in het huis des konings Nabuchodonosor
16 12, 12| Assyriërs, welke in het huis van Nabuchodonosor staan.~
17 13, 18| zijn barmhartigheid van het huis Israëls niet afwendt, maar
18 14, 6 | en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en
19 14, 6 | zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam,
20 14, 7 | voorhuid, en werd tot het huis Israëls toegevoegd tot op
21 14, 15| schaamte gebracht over het huis des konings Nabuchodonosors,
22 16, 28| en zij werd oud in het huis haars mans, honderdenvijf
23 16, 28| haar man Manasse, en het huis Israëls droeg zeven dagen
|