Chapter, Verse
1 1, 1 | Nabuchodonosor, die regeerde in de grote stad Nineve in de dagen
2 1, 6 | de koning Arfaxad, in dat grote veld, hetwelk gelegen is
3 1, 8 | tot Opper-Galilea, en het grote veld Esdrelon.~
4 1, 16| volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden;
5 2, 5 | 5 Dit zegt de grote koning, de heer der ganse
6 2, 8 | tot hun bagage, een zeer grote menigte; mitsgaders schapen
7 2, 9 | 9 En een grote menigte koren voor ieder
8 3, 13| welke ligt tegenover de grote engte van Judea.~
9 4, 8 | Israëls riepen tot God met grote ernst, en verootmoedigden
10 4, 8 | verootmoedigden hun zielen met grote ernst, zij en hun vrouwen
11 5, 9 | zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun geslacht
12 7, 2 | krijgsrusting; en daar was een zeer grote menigte van mannen, die
13 7, 12| toerustingen legerden zij in grote hopen, en waren een zeer
14 7, 12| hopen, en waren een zeer grote menigte;~
15 7, 20| gezonden en zij waren in grote vernedering in de stad.~
16 8, 18| voor onze vijanden met een grote val.~
17 8, 25| is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen
18 15, 6 | Galilea sloegen hen met een grote slachting, totdat zij voorbij
19 15, 8 | want daar was een zeer grote menigte.~
20 15, 11| verhoging Israëls, gij zijt een grote heerlijkheid Israëls. Gij
21 15, 11| heerlijkheid Israëls. Gij zijt een grote roem van ons geslacht. Gij
22 16, 8 | hem niet verslagen, en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen,
|