Chapter, Verse
1 1, 12| dat hij zich zeker wreken zou over al de landpalen van
2 1, 12| en dat hij met het zwaard zou ombrengen al de inwoners
3 2, 3 | deze oordeelden, dat men zou uitroeien al degenen, die
4 3, 11| hij al de goden des lands zou vernielen,~
5 5, 26| zeiden dat men hem in stukken zou houwen, want zeiden zij,
6 7, 1 | kinderen Israëls de krijg zou aandoen.~
7 7, 11| zij bepaalden dat men doen zou gelijk zij gesproken hadden.~
8 8, 15| niet als een mens, dat hij zou bedreigd worden, noch als
9 8, 15| zoon des mensen, dat hij zou geoordeeld worden.~
10 10, 16| zeide tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten,
11 10, 16| gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.~
12 11, 2 | mij niet veracht had, ik zou mijn spies tegen hem niet
13 11, 9 | zonder iets uit te richten zou zijn, zo is de dood hun
14 12, 1 | beval dat men haar brengen zou in de kamer waar zijn zilverwerk
15 12, 1 | hij gelastte dat men haar zou opdissen van zijn spijs,
16 12, 1 | spijs, en dat zij drinken zou van zijn wijn.~
17 12, 13| Wie ben ik, die mijn heer zou tegenspreken?~
18 13, 4 | zij buiten haar slaapkamer zou staan, en haar uitgang waarnemen,
19 13, 4 | zij zeide, dat zij uitgaan zou tot haar gebed, en zij had
20 16, 6 | dat hij mijn landpalen zou verbranden, en dat hij mijn
21 16, 6 | dat hij mijn jonge mannen zou ombrengen door het zwaard,
|