Chapter, Verse
1 1, 6 | zich allen, die aan dat gebergte woonden, en allen die woonden
2 1, 10| aan de overzijde van het gebergte Tanis en Memfis, en tot
3 2, 12| en trok van daar naar het gebergte.~
4 4, 5 | zij de opgangen van het gebergte zouden inhouden,~
5 5, 1 | zij de doorgangen van het gebergte besloten, en al de spitsen
6 5, 3 | dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het
7 5, 5 | dat nabij u woont, en dit gebergte bewoont; en geen leugen
8 5, 17| 17 Hebben zij dit gehele gebergte tot een erfenis ontvangen.~
9 5, 18| Gergesenen; en zij hebben in het gebergte vele dagen gewoond.~
10 5, 22| heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond, want het was woest.~
11 6, 6 | zullen u brengen op het gebergte, en zullen u stellen in
12 6, 8 | des vlakken velds naar het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen,
13 7, 1 | en de toegangen van het gebergte eerst innemen, en dat men
14 7, 12| sloegen hun leger op het gebergte tegenover Dothaïm, en zonden
15 10, 13| trekken zal, en het gehele gebergte veroveren, en van zijn mannen
16 11, 2 | indien uw volk, dat op dit gebergte woont, mij niet veracht
17 15, 2 | vlakke veld, en van het gebergte; en die zich gelegerd hadden
18 15, 2 | zich gelegerd hadden op het gebergte rondom Bethulië, werden
19 15, 5 | waren, en uit het ganse gebergte, want zij boodschapten hun
20 15, 8 | vlekken en de steden in het gebergte en op het vlakke veld kregen
|