Chapter, Verse
1 2, 5 | 5 Dit zegt de grote koning, de
2 5, 3 | kinderen Kanaäns, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte
3 5, 3 | volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat
4 5, 5 | de waarheid verhalen van dit volk, dat nabij u woont,
5 5, 5 | volk, dat nabij u woont, en dit gebergte bewoont; en geen
6 5, 6 | 6 Dit volk komt af van de Chaldeeën.~
7 5, 17| 17 Hebben zij dit gehele gebergte tot een
8 5, 23| heersende heer, zo er misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen
9 7, 9 | 9 Want dit volk van de kinderen Israëls
10 8, 21| altaar steunt op ons. Boven dit alles, laat ons de Here,
11 10, 16| zeide tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat
12 11, 2 | indien uw volk, dat op dit gebergte woont, mij niet
13 11, 2 | doch zij zelf hebben zich dit aangedaan.~
14 11, 12| zal geschieden, als hun dit zal geboodschapt zijn, en
15 11, 13| Daarom, ik, uw dienstmaagd, dit alles wetende, ben van hun
16 11, 20| welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft afgezonden, opdat
17 12, 14| zal ik vlijtig doen; en dit zal mij een verheuging zijn,
18 13, 25| eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging,
19 14, 1 | mij nu broeders, en neemt dit hoofd, en hangt dat uit,
20 15, 11| van ons geslacht. Gij hebt dit alles gedaan door uw hand.
|