Chapter, Verse
1 4, 5 | schreef aan de inwoners van Bethulië, en Bethemesch, welke tegenover
2 6, 7 | zouden grijpen, en naar Bethulië heenvoeren, en hem overleveren
3 6, 8 | de fonteinen, die onder Bethulië waren; en als de mannen
4 6, 10| en brachten hem binnen Bethulië.~
5 7, 1 | zij zouden optrekken naar Bethulië, en de toegangen van het
6 7, 3 | legerden zich in het dal bij Bethulië aan de fontein, en zij strekten
7 7, 3 | en in de lengte van onder Bethulië, tot aan Kyamon, hetwelk
8 7, 6 | kinderen Israëls, die te Bethulië waren, en bezichtigde de
9 7, 10| voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit,
10 7, 13| ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig,
11 8, 3 | en stierf in zijn stad Bethulië, en zij begroeven hem bij
12 8, 10| oversten der inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht,
13 10, 6 | uit naar de poort der stad Bethulië, en vonden aan deze staande
14 11, 7 | dewijl hem de mannen van Bethulië gekregen hebben, en hij
15 12, 7 | nachts uit naar het dal van Bethulië, en zij wies zich in het
16 13, 12| klommen op de berg der stad Bethulië, en kwamen aan haar poorten.~
17 15, 2 | hadden op het gebergte rondom Bethulië, werden ook op de vlucht
18 15, 7 | 7 De anderen nu, die te Bethulië woonden, vielen in het leger
19 16, 25| en Judith kwam weder naar Bethulië, en bleef bij haar goederen.~
20 16, 28| vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in
|