Chapter, Verse
1 6, 11| die tijd waren Ozias, de zoon van Mika, uit de stam Simeon,
2 6, 11| stam Simeon, en Abris, de zoon van Gothoniël, en Charmis,
3 6, 11| Gothoniël, en Charmis, de zoon van Malchiël.~
4 8, 1 | een dochter van Merari, de zoon van Ors, de zoon van Jozef,
5 8, 1 | Merari, de zoon van Ors, de zoon van Jozef, de zoon van Oziël,
6 8, 1 | Ors, de zoon van Jozef, de zoon van Oziël, de zoon van Helkia,
7 8, 1 | Jozef, de zoon van Oziël, de zoon van Helkia, de zoon van
8 8, 1 | de zoon van Helkia, de zoon van Ananias, de zoon van
9 8, 1 | de zoon van Ananias, de zoon van Gedeon, de zoon van
10 8, 1 | de zoon van Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon van Akitho,
11 8, 1 | Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon van Akitho, de zoon van
12 8, 1 | de zoon van Akitho, de zoon van Elia, de zoon van Eliab,
13 8, 1 | Akitho, de zoon van Elia, de zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël,
14 8, 1 | Elia, de zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël, de zoon van
15 8, 1 | de zoon van Nathanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van
16 8, 1 | de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadaï, de zoon van
17 8, 1 | de zoon van Sarasadaï, de zoon van Israël.~
18 8, 15| bedreigd worden, noch als een zoon des mensen, dat hij zou
|