Chapter, Verse
1 1, 6 | allen, die aan dat gebergte woonden, en allen die woonden aan
2 1, 6 | gebergte woonden, en allen die woonden aan de Eufraat, en aan de
3 1, 7 | tot allen die in Perzië woonden, en tot allen die tegen
4 1, 7 | allen die tegen het westen woonden, en die in Cilicië en Damaskus
5 1, 7 | die in Cilicië en Damaskus woonden, en op de berg Libanon en
6 1, 7 | Antilibanon, en allen die woonden langs de vlakte van de zeekant,~
7 1, 10| tot allen, die in Egypte woonden, totdat men komt aan de
8 2, 13| kinderen Ismaëls, die daar woonden aan de woestijn tegen het
9 2, 18| degenen, die aan de zee woonden, die daar waren in Sidon
10 2, 18| Sidon en Tyrus, en die daar woonden te Sur en Okina, en allen
11 2, 18| Okina, en allen die daar woonden tot Jemnaän; en die daar
12 2, 18| tot Jemnaän; en die daar woonden in Azote en Askalon vreesden
13 4, 1 | kinderen Israëls, die in Judea woonden, hoorden al wat Holofernes,
14 4, 7 | Israëls, die binnen Jeruzalem woonden, hun bevolen hadden.~
15 4, 10| en die binnen Jeruzalem woonden, vielen neder in het gezicht
16 5, 9 | het land Kanaän bedekt) en woonden daar als vreemdelingen totdat
17 15, 7 | anderen nu, die te Bethulië woonden, vielen in het leger der
|