Chapter, Verse
1 1, 1 | in de dagen van Arfaxad, welke regeerde over de Meden te
2 3, 13| van Esdrelon bij Dothea, welke ligt tegenover de grote
3 4, 5 | Bethulië, en Bethemesch, welke tegenover Esdrelon ligt,
4 5, 7 | de goden hunner vaderen, welke in het land van Chaldea
5 6, 11| de oversten van hun stad, welke op die tijd waren Ozias,
6 8, 10| want uw rede is niet recht, welke gij op deze dag tegen het
7 8, 14| om ons te beschutten in welke dagen hij wil, of ook om
8 8, 17| volk, noch stad onder ons, welke de goden dient, die met
9 8, 18| vorige dagen is geschied, om welke oorzaak onze vaders ten
10 8, 28| en binnen die dagen, na welke gij gezegd hebt de stad
11 9, 3 | onder uw lieve kinderen, welke ook met uw ijver hebben
12 9, 4 | gij hebt de dingen gedaan, welke voor die waren, en die dingen
13 10, 16| man van hen overblijve, welke overgelaten zijnde het gehele
14 11, 11| tienden van wijn en van olie, welke zij bewaard hebben en geheiligd
15 11, 11| aanschijn onzes Gods staan, welke zelfs niemand uit het volk
16 12, 10| tot Bagoas de kamerling, welke over alles gesteld was dat
17 12, 12| dochteren der Assyriërs, welke in het huis van Nabuchodonosor
|