Chapter, Verse
1 4, 7 | Jeruzalem woonden, hun bevolen hadden.~
2 5, 1 | der hoge bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke
3 5, 1 | velden beletsels gesteld hadden.~
4 6, 9 | voet des bergs geworpen hadden, lieten zij hem daar liggen,
5 7, 11| zou gelijk zij gesproken hadden.~
6 7, 13| hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was
7 7, 13| bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging
8 9, 2 | schoot der maagd geopend hadden tot onreinheid, en de dij
9 9, 2 | onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot schaamte, en de schoot
10 9, 2 | schaamte, en de schoot bevlekt hadden tot schande, (want gij hadt
11 9, 2 | zijn) en die dat gedaan hadden, waarom gij hun oversten
12 10, 16| boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd
13 13, 13| tot degenen, die de wacht hadden over de poorten: Doet open!
14 14, 6 | maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van
15 15, 2 | gebergte; en die zich gelegerd hadden op het gebergte rondom Bethulië,
16 15, 5 | kinderen Israëls zulks gehoord hadden, vielen zij allen eendrachtiglijk
17 15, 9 | te Jeruzalem hun woning hadden, kwamen om te aanschouwen
|