1-500 | 501-552
Chapter, Verse
501 15, 8 | overigen; en de vlekken en de steden in het gebergte en
502 15, 9 | 9 En Joachim, de hogepriester, en de raad
503 15, 9 | Joachim, de hogepriester, en de raad van de kinderen Israëls,
504 15, 9 | hogepriester, en de raad van de kinderen Israëls, die te
505 15, 11| 11 Gij zijt de verhoging Israëls, gij zijt
506 15, 11| daaraan. Zijt gezegend voor de Almachtige Here, ten eeuwigen
507 15, 13| En zij gaven aan Judith de tent van Holofernes, en
508 15, 13| en al het zilverwerk, en de bedden, en de bekkens, en
509 15, 13| zilverwerk, en de bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad,
510 15, 14| 14 En al de vrouwen Israëls liepen te
511 15, 15| haar handen, en gaf ook de vrouwen die bij haar waren,
512 15, 15| ging voor het ganse volk in de rei, leidende al de vrouwen,
513 15, 15| volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen
514 16, 2 | En Judith zeide: Begint de lof mijns Heren met tambourijn;
515 16, 3 | 3 Want de Here is een God, die de
516 16, 3 | de Here is een God, die de krijgen vermorzelt: want
517 16, 3 | volks, mij verlost, uit de hand dergenen, die mij vervolgden.~
518 16, 4 | 4 Assur kwam uit de gebergten van het noorden;~
519 16, 5 | welker menigte verstopte de waterbeken, en hun ruiterij
520 16, 5 | en hun ruiterij bedekte de heuvelen.~
521 16, 6 | en mijn zuigelingen tegen de aarde slaan, en mijn jonge
522 16, 7 | 7 De Here, de Almachtige, heeft
523 16, 7 | 7 De Here, de Almachtige, heeft hen teniet
524 16, 7 | hen teniet gemaakt, door de hand ener vrouw.~
525 16, 8 | gevallen door jonge mannen, en de kinderen der Titanen hebben
526 16, 8 | hebben hem niet verslagen, en de grote reuzen hebben hem
527 16, 8 | aangegrepen, maar Judith, de dochter van Merari, heeft
528 16, 8 | machteloos gemaakt, door de schoonheid van haar aangezicht.~
529 16, 9 | 9 Want zij deed de klederen harer weduwschap
530 16, 11| ziel gevangen genomen, en de sabel is door zijn hals
531 16, 12| 12 De Perzen beefden voor haar
532 16, 12| voor haar stoutheid, en de Meden ontzetten zich over
533 16, 14| 14 De zonen der jonge vrouwen
534 16, 18| 18 Want de bergen zullen uit de fundamenten
535 16, 18| Want de bergen zullen uit de fundamenten met hun wateren
536 16, 18| wateren bewogen worden, de steenrotsen zullen van uw
537 16, 19| het allerminste, maar die de Here vreest is altijd groot.~
538 16, 20| 20 Wee de volken, die tegen mijn geslacht
539 16, 20| tegen mijn geslacht opstaan, de Here, de almachtige, zal
540 16, 20| geslacht opstaan, de Here, de almachtige, zal over hen
541 16, 20| over hen wraak doen, in de dag des gerichts.~
542 16, 21| geven, en zij zullen door de pijn tot in eeuwigheid huilen.~
543 16, 23| 23 En Judith hing op in de tempel al de vaten van Holofernes,
544 16, 23| hing op in de tempel al de vaten van Holofernes, die
545 16, 23| tot een heilige gift voor de Here.~
546 16, 27| geen man bekende haar al de dagen haars levens, van
547 16, 27| dagen haars levens, van de dag dat haar man Manasse
548 16, 28| en zij begroeven haar in de spelonk van haar man Manasse,
549 16, 29| eer zij stierf, aan al de naaste vrienden van haar
550 16, 29| haar man Manasse, en aan de naaste vrienden van haar
551 16, 30| daar was niemand meer, die de kinderen Israëls enige vrees
552 16, 30| enige vrees aandeed, in de dagen van Judith, noch ook
1-500 | 501-552 |