Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
val 2
valleien 1
vallen 3
van 266
vandaar 1
vanwaar 2
vanwege 2
Frequency    [«  »]
-----
999 en
552 de
266 van
258 het
241 zij
181 in

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

van

    Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 IN het twaalfde jaar van het koninkrijk van Nabuchodonosor, 2 1, 1 | jaar van het koninkrijk van Nabuchodonosor, die regeerde 3 1, 1 | stad Nineve in de dagen van Arfaxad, welke regeerde 4 1, 2 | bouwde rondom Ecbatana muren van gehouwen stenen, die drie 5 1, 3 | op de poorten dezer stad, van honderd ellen in de hoogte.~ 6 1, 4 | 4 En legde het fundament van de muren daarvan tot zestig 7 1, 5 | poorten verheven tot de hoogte van zeventig ellen, en dezer 8 1, 5 | en dezer poorten breedte van veertig ellen, tot de uittocht 9 1, 5 | veertig ellen, tot de uittocht van zijn machtige legers, en 10 1, 5 | legers, en tot de ordeningen van zijn voetvolk.~ 11 1, 6 | Hydaspes, en in het platte land van Arioch, de koning der Elymeërs, 12 1, 6 | vele volken der kinderen van Gilod kwamen tezamen tot 13 1, 7 | woonden langs de vlakte van de zeekant,~ 14 1, 8 | Mitsgaders tot de volken van de berg Karmel, en van Gilead, 15 1, 8 | volken van de berg Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, 16 1, 9 | en Kades, en de rivier van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, 17 1, 10| men komt aan de overzijde van het gebergte Tanis en Memfis, 18 1, 10| men komt aan de landpalen van Ethiopië.~ 19 1, 11| lands verachtten het woord van Nabuchodonosor, de koning 20 1, 11| en deden zijn boden ledig van zich wederkeren met schande.~ 21 1, 12| zou over al de landpalen van Cilicië, en Damaskus, en 22 1, 12| ombrengen al de inwoners van het land Moab, en de kinderen 23 1, 12| land Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, 24 1, 12| men komt aan de landpalen van de twee zeeën.~ 25 1, 13| versloeg de ganse macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij 26 1, 16| een zeer grote menigte van krijgslieden; en hij was 27 2, 1 | er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, de koning 28 2, 1 | de koning der Assyriërs, van wraak te oefenen over het 29 2, 2 | hun voor de verborgenheid van zijn raad, en hij verhaalde 30 2, 2 | eigen mond al het kwaad van dat land.~ 31 2, 5 | ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, 32 2, 5 | aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal 33 2, 5 | mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.~ 34 2, 7 | 7 En Holofernes ging uit van voor het aanschijn zijns 35 2, 7 | krijgsoversten, en de hoofdlieden van het leger der Assyriërs, 36 2, 12| 12 En zij trokken uit van Nineve drie dagreizen, op 37 2, 12| dagreizen, op de vlakte van het veld Bektileth; en hij 38 2, 12| en hij sloeg zijn leger van Bektileth af, bij de berg 39 2, 12| aan de linkerzijde ligt van Opper-Cilicië, en hij nam 40 2, 12| en zijn wagenen, en trok van daar naar het gebergte.~ 41 2, 13| en beroofde alle kinderen van Gases, en de kinderen Ismaëls, 42 2, 15| En hij nam de landpalen van Cilicië in, en versloeg 43 2, 15| kwam tot aan de landpalen van Jafet, die tegen het zuiden 44 2, 16| omringde al de kinderen van Midian, en verbrandde hun 45 2, 17| hij daalde af in het veld van Damaskus, in de dagen van 46 2, 17| van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde 47 3, 1 | gezanten tot hem met woorden van vrede, zeggende:~ 48 3, 13| hij kwam in het gezicht van die van Esdrelon bij Dothea, 49 3, 13| kwam in het gezicht van die van Esdrelon bij Dothea, welke 50 3, 13| tegenover de grote engte van Judea.~ 51 4, 1 | krijgsoverste des konings van Assyrië, aan die volken 52 4, 2 | altaar en het huis Gods waren van de ontheiliging geheiligd.~ 53 4, 3 | zonden in de ganse landpale van Samarië, en in de vlekken, 54 4, 4 | beschikten koren tot voorraad van de krijg, overmits hun velden 55 4, 5 | schreef aan de inwoners van Bethulië, en Bethemesch, 56 4, 5 | beval dat zij de opgangen van het gebergte zouden inhouden,~ 57 4, 15| Jeruzalem, in het gezicht van het heiligdom des Heren 58 4, 17| En zij riepen tot de Here van ganser kracht, dat hij het 59 5, 1 | Holofernes, de krijgsoverste van het heerleger der Assyriërs, 60 5, 1 | en dat zij de doorgangen van het gebergte besloten, en 61 5, 2 | Ammonieten, en al de vorsten van het land aan de zee.~ 62 5, 3 | zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin 63 5, 3 | is, die een leidsman is van hun leger.~ 64 5, 5 | 5 En Achior, de overste van al de kinderen Ammons, zeide 65 5, 5 | zal u de waarheid verhalen van dit volk, dat nabij u woont, 66 5, 6 | 6 Dit volk komt af van de Chaldeeën.~ 67 5, 7 | vaderen, welke in het land van Chaldea waren;~ 68 5, 8 | 8 En zijn afgetreden van de weg hunner vaderen, en 69 5, 8 | die hebben hen verdreven van het aangezicht hunner goden; 70 5, 8 | zouden gaan uit het land van hun vreemdelingschap, en 71 5, 10| 10 En de koning van Egypte stond tegen hen op, 72 5, 10| door arbeid, en door maken van tichelstenen, en vernederde 73 5, 11| Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.~ 74 5, 13| heeft hen geleid naar de weg van de berg Sinaï, en Kades-Barneä 75 5, 18| 18 En zij verdreven van voor hun aangezicht de Kanaäniet, 76 5, 20| toen zij afgeweken zijn van de weg, die hij hun had 77 5, 26| 26 En de geweldigen van Holofernes, en die het land 78 6, 2 | toch Achior, en gij die van Efraïm gehuurd zijt, dat 79 6, 3 | afzenden en hen verdelgen van het aanschijn des aardbodems, 80 6, 3 | en zij zullen de kracht van onze paarden niet wederstaan, 81 6, 5 | aangezicht niet meer zien, van deze dag aan, totdat ik 82 6, 6 | stellen in een der steden van hun opgangen, en gij zult 83 6, 8 | vlakke veld, en trokken van het midden des vlakken velds 84 6, 11| stelden hem voor de oversten van hun stad, welke op die tijd 85 6, 11| tijd waren Ozias, de zoon van Mika, uit de stam Simeon, 86 6, 11| Simeon, en Abris, de zoon van Gothoniël, en Charmis, de 87 6, 11| Gothoniël, en Charmis, de zoon van Malchiël.~ 88 6, 12| stelden Achior in het midden van al hun volk, en Ozias vraagde 89 6, 13| verhaalde hun de woorden van de raad van Holofernes en 90 6, 13| hun de woorden van de raad van Holofernes en al de woorden 91 6, 13| gesproken had in het midden van de oversten der kinderen 92 6, 13| de oversten der kinderen van Assur; wat hoogmoedige taal 93 6, 15| ontferm u over de vernedering van ons geslacht, en zie ten 94 6, 15| dezen dage aan het aanschijn van degenen, die u geheiligd 95 7, 1 | Bethulië, en de toegangen van het gebergte eerst innemen, 96 7, 2 | in die dag. En hun macht van strijdbare mannen was honderdenzeventigduizend 97 7, 2 | was een zeer grote menigte van mannen, die onder hen te 98 7, 3 | Belthem toe, en in de lengte van onder Bethulië, tot aan 99 7, 4 | zullen nu het aanschijn van het gehele land opslikken, 100 7, 8 | hen kwamen al de oversten van de kinderen Ezau's, en al 101 7, 9 | 9 Want dit volk van de kinderen Israëls verlaat 102 7, 9 | spiesen, maar op de hoogte van hun bergen, waarin zij wonen, 103 7, 9 | is niet licht de spitsen van hun bergen te beklimmen.~ 104 7, 10| en behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw 105 7, 10| bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want 106 7, 12| vijfduizend uit de kinderen van Assur met hen trokken voort, 107 7, 12| waterleidingen en fonteinen van de kinderen Israëls eerst 108 7, 13| ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden 109 7, 13| en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder 110 7, 13| aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot 111 7, 15| over tot buit aan het volk van Holofernes, en aan al zijn 112 7, 16| zien sterven, en de zielen van onze vrouwen en kinderen 113 7, 17| naar deze woorden op de dag van heden.~ 114 7, 18| en eendrachtig geschrei van allen in het midden der 115 7, 20| naar de muren en torens van hun stad heengegaan; en 116 8, 1 | zulks Judith, een dochter van Merari, de zoon van Ors, 117 8, 1 | dochter van Merari, de zoon van Ors, de zoon van Jozef, 118 8, 1 | de zoon van Ors, de zoon van Jozef, de zoon van Oziël, 119 8, 1 | zoon van Jozef, de zoon van Oziël, de zoon van Helkia, 120 8, 1 | zoon van Oziël, de zoon van Helkia, de zoon van Ananias, 121 8, 1 | zoon van Helkia, de zoon van Ananias, de zoon van Gedeon, 122 8, 1 | zoon van Ananias, de zoon van Gedeon, de zoon van Rafam, 123 8, 1 | zoon van Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon van Akitho, 124 8, 1 | zoon van Rafam, de zoon van Akitho, de zoon van Elia, 125 8, 1 | zoon van Akitho, de zoon van Elia, de zoon van Eliab, 126 8, 1 | de zoon van Elia, de zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël, 127 8, 1 | zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël, de zoon van Salamiël, 128 8, 1 | zoon van Nathanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadaï, 129 8, 1 | zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadaï, de zoon van Israël.~ 130 8, 1 | zoon van Sarasadaï, de zoon van Israël.~ 131 8, 2 | man was geweest Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde 132 8, 2 | Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht, en hij 133 8, 5 | zichzelf een tent op het dak van haar huis, en deed een zak 134 8, 6 | En zij vastte al de dagen van haar weduwschap, behalve 135 8, 6 | en de dagen der vreugde van het huis Israëls.~ 136 8, 7 | 7 En zij was schoon van gedaante, en zeer fraai 137 8, 7 | gedaante, en zeer fraai van aanzien, en Manasse haar 138 8, 9 | en Charmin, de oudsten van haar stad.~ 139 8, 10| gij oversten der inwoners van Bethulië, want uw rede is 140 8, 11| plaats gezet, in het midden van de kinderen der mensen.~ 141 8, 13| 13 Want de diepte van het hart des mensen kunt 142 8, 15| stelt gij de raadslagen van de Here, onze God, niet 143 8, 19| zal verachten, noch iemand van ons geslacht.~ 144 8, 20| de ontheiliging derzelve van onze mond eisen, en hij 145 8, 21| een voorbeeld geven, want van ons hangt hun leven af, 146 8, 23| als hij de schapen hoedde van Laban, zijns moeders broeder,~ 147 8, 25| gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte gezegd, en 148 8, 25| niet eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen heeft 149 8, 27| zal een werk doen, hetwelk van geslacht tot geslacht zal 150 9, 1 | het huis Gods het reukwerk van die avond geofferd werd, 151 9, 6 | ruiters, en roemen op de arm van hun voetvolk. Zij hopen 152 9, 9 | bevlekken de tabernakel der rust van uw heerlijke naam, en met 153 9, 9 | breekijzer om te werpen de hoorn van uw altaar.~ 154 9, 16| God mijns vaders, gij God van het erfdeel Israëls, gij 155 9, 16| der wateren, gij Koning van al uw schepselen,~ 156 9, 18| tegen het huis der bezitting van uw kinderen;~ 157 9, 19| er geen ander beschutter van het geslacht Israëls is 158 10, 1 | geschiedde toen zij ophield van roepen tot de God Israëls, 159 10, 2 | 2 Dat zij opstond van haar voetval en riep haar 160 10, 3 | en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een 161 10, 3 | bekleed was in de dagen van het leven haars mans Manasse.~ 162 10, 4 | versierde zich zeer, tot bedrog van de ogen der mannen, zovelen 163 10, 8 | volbreng uw aanslagen, tot roem van de kinderen Israëls en verhoging 164 10, 8 | kinderen Israëls en verhoging van Jeruzalem. En zij bad God 165 10, 12| Hebreeuwse vrouw, en vlucht van hen weg want zij zullen 166 10, 13| ik kom tot het aangezicht van Holofernes de veldoverste 167 10, 13| gehele gebergte veroveren, en van zijn mannen zal niemand 168 10, 15| tot zijn tent, en enigen van ons zullen u geleiden, totdat 169 10, 16| brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam 170 10, 16| zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem 171 10, 16| totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij 172 10, 16| het niet goed dat één man van hen overblijve, welke overgelaten 173 10, 17| 17 En de kamerlingen van Holofernes, en al zijn dienaars 174 10, 18| onder een behangsel, hetwelk van purper, en goud, en smaragden, 175 10, 18| en zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in 176 11, 3 | nu, zeg mij, waarom gij van hen gevloden en tot ons 177 11, 3 | de knechten mijns heren, van de koning Nabuchodonosor.~ 178 11, 4 | heer zal niet vervallen van zijn aanslagen.~ 179 11, 6 | 6 Want wij hebben van uw wijsheid gehoord, en 180 11, 6 | uw wijsheid gehoord, en van de vernuftige daden uws 181 11, 7 | gehoord, dewijl hem de mannen van Bethulië gekregen hebben, 182 11, 11| gebruiken de eerstelingen van koren, en de tienden van 183 11, 11| van koren, en de tienden van wijn en van olie, welke 184 11, 11| en de tienden van wijn en van olie, welke zij bewaard 185 11, 12| overbrengen de toelating van de raad; en het zal geschieden, 186 11, 13| dit alles wetende, ben van hun aangezicht gevloden, 187 11, 13| ontzetten, zo velen als er van horen zullen.~ 188 11, 14| uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.~ 189 11, 15| u leiden door het midden van Judea, totdat gij komt voor 190 11, 16| zal uw stoel in het midden van hen zetten, en gij zult 191 11, 19| is dergelijke vrouw niet van het ene einde der aarde 192 11, 19| andere einde, in schoonheid van aangezicht, en wijsheid 193 11, 19| aangezicht, en wijsheid van spreken.~ 194 11, 21| 21 En nu, gij zijt schoon van gestalte en kloek zijn uw 195 12, 1 | dat men haar zou opdissen van zijn spijs, en dat zij drinken 196 12, 1 | en dat zij drinken zou van zijn wijn.~ 197 12, 3 | geven, want daar is niemand van uw geslacht onder ons.~ 198 12, 5 | 5 En de dienaars van Holofernes brachten haar 199 12, 7 | nachts uit naar het dal van Bethulië, en zij wies zich 200 12, 8 | richten wilde, tot oprichting van de kinderen haars volks.~ 201 12, 12| 12 En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot 202 12, 12| deze dag te worden als een van de dochteren der Assyriërs, 203 12, 12| Assyriërs, welke in het huis van Nabuchodonosor staan.~ 204 12, 15| aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot 205 12, 16| 16 En het hart van Holofernes ontzette zich 206 12, 16| tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien 207 12, 18| verheven dan het geweest is van al de dagen mijner geboorte.~ 208 12, 20| op één dag gedronken had, van dat hij geboren was.~ 209 13, 1 | scheiden, Bagoas sloot de tent van buiten toe, en deed van 210 13, 1 | van buiten toe, en deed van zich gaan allen, die voor 211 13, 4 | en zij gingen allen weg van haar aanschijn, en daar 212 13, 7 | zij ging naar de sponde van het bed, die aan Holofernes' 213 13, 7 | bed, greep zij het haar van zijn hoofd aan en zeide:~ 214 13, 9 | zij wentelde het lichaam van het bed.~ 215 13, 10| 10 En nam het behangsel van de pilaren weg.~ 216 13, 11| haar dienstmaagd het hoofd van Holofernes over, en die 217 13, 13| 13 En Judith zeide van verre tot degenen, die de 218 13, 15| zij liepen allen tezamen van de minste tot de meeste, 219 13, 18| die zijn barmhartigheid van het huis Israëls niet afwendt, 220 13, 19| 19 En zij trok het hoofd van Holofernes uit de zak, en 221 13, 19| hen: Ziet hier het hoofd van Holofernes, de veldoverste 222 13, 19| Holofernes, de veldoverste van het leger der Assyriërs, 223 13, 22| huidige dag de vijanden van uw volk teniet hebt gemaakt.~ 224 13, 24| tot verwonding des hoofds van de overste onzer vijanden.~ 225 13, 25| om der vernedering wil van ons geslacht, maar zijt 226 14, 1 | hangt dat uit, op de tinne van onze stadsmuur.~ 227 14, 2 | opgaan, zo zal een iegelijk van u zijn krijgsuitrusting 228 14, 2 | eerste wacht der kinderen van Assur, maar gij zult niet 229 14, 3 | en zullen de hoofdlieden van het leger der Assyriërs 230 14, 4 | gelijkelijk lopen tot de tent van Holofernes, en zullen hem 231 14, 6 | riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, 232 14, 6 | hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand 233 14, 6 | Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering 234 14, 6 | hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en 235 14, 6 | zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; 236 14, 6 | en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen 237 14, 6 | hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan 238 14, 6 | sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het 239 14, 6 | stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.~ 240 14, 8 | zo hingen zij het hoofd van Holofernes van de muur uit, 241 14, 8 | het hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle mannen 242 14, 9 | en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot 243 14, 16| 16 Als nu de oversten van het leger der Assyriërs 244 14, 17| werd groot in het midden van het leger.~ 245 15, 2 | gezamenlijk op alle wegen van het vlakke veld, en van 246 15, 2 | van het vlakke veld, en van het gebergte; en die zich 247 15, 3 | uit alle strijdbare mannen van de kinderen Israëls.~ 248 15, 4 | Chela, en in alle landpalen van Israël, die boodschappen 249 15, 5 | toe; desgelijks ook die van Jeruzalem daar gekomen waren, 250 15, 5 | boodschapten hun wat het leger van hun vijanden overkomen was.~ 251 15, 6 | 6 En die van Gileäd en van Galilea sloegen 252 15, 6 | 6 En die van Gileäd en van Galilea sloegen hen met 253 15, 8 | Israëls wedergekeerd zijnde van de slag, vermeesterden de 254 15, 9 | hogepriester, en de raad van de kinderen Israëls, die 255 15, 11| Gij zijt een grote roem van ons geslacht. Gij hebt dit 256 15, 13| gaven aan Judith de tent van Holofernes, en al het zilverwerk, 257 16, 4 | Assur kwam uit de gebergten van het noorden;~ 258 16, 8 | maar Judith, de dochter van Merari, heeft hem machteloos 259 16, 8 | gemaakt, door de schoonheid van haar aangezicht.~ 260 16, 18| worden, de steenrotsen zullen van uw aangezicht, gelijk was, 261 16, 23| in de tempel al de vaten van Holofernes, die het volk 262 16, 27| al de dagen haars levens, van de dag dat haar man Manasse 263 16, 28| begroeven haar in de spelonk van haar man Manasse, en het 264 16, 29| aan al de naaste vrienden van haar man Manasse, en aan 265 16, 29| en aan de naaste vrienden van haar geslacht.~ 266 16, 30| vrees aandeed, in de dagen van Judith, noch ook in vele


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License