Chapter, Verse
1 4, 13| en hun vrouwen tot buit, noch de steden hunner erfenis
2 4, 13| erfenis tot verwoesting, noch hun heiligdommen tot ontheiliging
3 5, 26| volk waarin geen kracht is, noch macht tot een sterk heerleger.~
4 7, 4 | gehele land opslikken, en noch de hoge bergen, noch de
5 7, 4 | en noch de hoge bergen, noch de dalen, noch de heuvelen
6 7, 4 | hoge bergen, noch de dalen, noch de heuvelen zullen onder
7 8, 15| hij zou bedreigd worden, noch als een zoon des mensen,
8 8, 17| huidige dag geen stam is, noch geslacht, noch volk, noch
9 8, 17| stam is, noch geslacht, noch volk, noch stad onder ons,
10 8, 17| noch geslacht, noch volk, noch stad onder ons, welke de
11 8, 19| ons niet zal verachten, noch iemand van ons geslacht.~
12 9, 15| sterkte is niet in de menigte, noch uw vermogen in de geweldigen,
13 10, 13| mannen zal niemand omkomen, noch iets dat leven heeft.~
14 13, 4 | aanschijn, en daar werd niemand, noch klein noch groot, in de
15 13, 4 | werd niemand, noch klein noch groot, in de slaapkamer
16 16, 30| in de dagen van Judith, noch ook in vele dagen, nadat
|