Chapter, Verse
1 1, 9 | en over de Jordaan tot Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus,
2 4, 2 | zeer bevreesd voor de stad Jeruzalem, en de tempel des Heren
3 4, 5 | hogepriester, die in die dagen te Jeruzalem was, schreef aan de inwoners
4 4, 7 | volk Israëls, die binnen Jeruzalem woonden, hun bevolen hadden.~
5 4, 10| kinderen, en die binnen Jeruzalem woonden, vielen neder in
6 4, 15| dagen lang in gans Judea en Jeruzalem, in het gezicht van het
7 5, 22| waren, en hebben zich te Jeruzalem nedergezet, waar hun heiligdom
8 9, 1 | het was nu de tijd dat te Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk
9 10, 8 | Israëls en verhoging van Jeruzalem. En zij bad God aan,~
10 11, 11| voor de priesters, die te Jeruzalem voor het aanschijn onzes
11 11, 12| En zij hebben enigen naar Jeruzalem gezonden (omdat ook die
12 11, 15| Judea, totdat gij komt voor Jeruzalem.~
13 15, 5 | desgelijks ook die van Jeruzalem daar gekomen waren, en uit
14 15, 9 | kinderen Israëls, die te Jeruzalem hun woning hadden, kwamen
15 16, 22| 22 En als zij nu te Jeruzalem gekomen waren, aanbaden
16 16, 24| het volk was vrolijk te Jeruzalem, voor het heiligdom, drie
|