Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
here 40
heren 9
hersteld 1
het 258
hetgeen 11
hetwelk 9
hetzelfde 2
Frequency    [«  »]
999 en
552 de
266 van
258 het
241 zij
181 in
176 tot

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

het

    Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 IN het twaalfde jaar van het koninkrijk 2 1, 1 | IN het twaalfde jaar van het koninkrijk van Nabuchodonosor, 3 1, 4 | 4 En legde het fundament van de muren daarvan 4 1, 6 | en aan de Hydaspes, en in het platte land van Arioch, 5 1, 7 | en tot allen die tegen het westen woonden, en die in 6 1, 8 | en tot Opper-Galilea, en het grote veld Esdrelon.~ 7 1, 9 | Tafnesa, en Ramesse, en het gehele land Gesem,~ 8 1, 10| komt aan de overzijde van het gebergte Tanis en Memfis, 9 1, 11| inwoners dezes lands verachtten het woord van Nabuchodonosor, 10 1, 12| en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen al 11 1, 12| ombrengen al de inwoners van het land Moab, en de kinderen 12 1, 13| tegen de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij 13 2, 1 | 1 EN in het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste 14 2, 1 | maand, werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, 15 2, 1 | van wraak te oefenen over het ganse land, gelijk hij gezegd 16 2, 2 | verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad van dat land.~ 17 2, 3 | uitroeien al degenen, die het bevel zijns monds niet nagevolgd 18 2, 4 | 4 En het geschiedde, als hij zijn 19 2, 5 | gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen, 20 2, 5 | tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord 21 2, 5 | naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam 22 2, 5 | in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde 23 2, 6 | heren overtreden, maar zult het gans volbrengen, gelijk 24 2, 6 | gij zult niet vertragen het te doen.~ 25 2, 7 | Holofernes ging uit van voor het aanschijn zijns heren, en 26 2, 7 | krijgsoversten, en de hoofdlieden van het leger der Assyriërs, en 27 2, 11| Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht des lands 28 2, 11| aangezicht des lands tegen het westen met hun wagenen, 29 2, 11| als sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon 30 2, 12| dagreizen, op de vlakte van het veld Bektileth; en hij sloeg 31 2, 12| wagenen, en trok van daar naar het gebergte.~ 32 2, 13| woonden aan de woestijn tegen het zuiden des lands Chellon, 33 2, 15| landpalen van Jafet, die tegen het zuiden en tegen Arabië liggen.~ 34 2, 17| 17 En hij daalde af in het veld van Damaskus, in de 35 3, 3 | 3 Doe met ons, gelijk het u behaagt.~ 36 3, 4 | voor u, doe daarmee gelijk het u behaagt.~ 37 3, 5 | en handel met hen, gelijk het goed is in uw ogen.~ 38 3, 9 | 9 En zij zelf, en het land dat rondom hen lag, 39 3, 11| 11 En het was bij hem besloten, dat 40 3, 13| 13 En hij kwam in het gezicht van die van Esdrelon 41 4, 2 | wedergekomen uit de gevangenis, en het ganse volk was kort tevoren 42 4, 2 | uit Judea; en de vaten en het altaar en het huis Gods 43 4, 2 | de vaten en het altaar en het huis Gods waren van de ontheiliging 44 4, 3 | Choba, en Esora, en naar het dal Salem, en zij namen 45 4, 5 | dat zij de opgangen van het gebergte zouden inhouden,~ 46 4, 6 | ingang was naar Judea, en het licht was te beletten degenen 47 4, 10| woonden, vielen neder in het gezicht des tempels,~ 48 4, 11| spreidden hun zakken uit voor het aanschijn des Heren.~ 49 4, 12| 12 En zij bekleedden het altaar met een zak.~ 50 4, 15| 15 En het volk vastte vele dagen lang 51 4, 15| gans Judea en Jeruzalem, in het gezicht van het heiligdom 52 4, 15| Jeruzalem, in het gezicht van het heiligdom des Heren de almachtige.~ 53 4, 16| omgord hebbende, offerden het brandoffer des gedurigen 54 4, 17| van ganser kracht, dat hij het gehele huis Israëls ten 55 5, 1 | 1 EN het werd Holofernes, de krijgsoverste 56 5, 1 | Holofernes, de krijgsoverste van het heerleger der Assyriërs, 57 5, 1 | dat zij de doorgangen van het gebergte besloten, en al 58 5, 2 | Ammonieten, en al de vorsten van het land aan de zee.~ 59 5, 3 | gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en 60 5, 4 | buiten al degenen die in het westen wonen.~ 61 5, 7 | hunner vaderen, welke in het land van Chaldea waren;~ 62 5, 8 | hebben hen verdreven van het aangezicht hunner goden; 63 5, 8 | dat zij zouden gaan uit het land van hun vreemdelingschap, 64 5, 8 | vreemdelingschap, en reizen naar het land Kanaän, en zij bleven 65 5, 9 | Egypte, (want hongersnood had het land Kanaän bedekt) en woonden 66 5, 14| hebben zich neergezet in het land der Ammorieten.~ 67 5, 18| Gergesenen; en zij hebben in het gebergte vele dagen gewoond.~ 68 5, 19| zondigden tegen hun God ging het hun wel; want met hen is 69 5, 22| heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond, want het 70 5, 22| het gebergte bewoond, want het was woest.~ 71 5, 24| tot een smaad zijn voor het gehele land.~ 72 5, 25| 25 En het geschiedde, als Achior ophield 73 5, 25| woorden te spreken, dat al het volk murmureerde, hetwelk 74 5, 26| geweldigen van Holofernes, en die het land aan de zee, en der 75 5, 26| kinderen Israëls, want ziet het is een volk waarin geen 76 6, 1 | 1 EN als het gemurmel der mannen, die 77 6, 1 | Assyriërs tot Achior, voor het ganse volk der uitlanders 78 6, 2 | en gezegd hebt, dat wij het geslacht Israëls niet zouden 79 6, 3 | afzenden en hen verdelgen van het aanschijn des aardbodems, 80 6, 4 | aardrijks, want hij heeft het gezegd, en de woorden zijner 81 6, 5 | gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns heerlegers, 82 6, 5 | zwaard mijns heerlegers, en het volk mijner dienstknechten 83 6, 6 | knechten zullen u brengen op het gebergte, en zullen u stellen 84 6, 6 | aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken, en geen mijner 85 6, 6 | aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken, en geen mijner 86 6, 8 | en brachten hem buiten het leger in het vlakke veld, 87 6, 8 | hem buiten het leger in het vlakke veld, en trokken 88 6, 8 | vlakke veld, en trokken van het midden des vlakken velds 89 6, 8 | midden des vlakken velds naar het gebergte, en kwamen tot 90 6, 12| En zij stelden Achior in het midden van al hun volk, 91 6, 13| die hij gesproken had in het midden van de oversten der 92 6, 13| Holofernes had gesproken tegen het huis Israëls.~ 93 6, 14| 14 En het volk, nedervallende, bad 94 6, 15| en zie ten dezen dage aan het aanschijn van degenen, die 95 7, 1 | Bethulië, en de toegangen van het gebergte eerst innemen, 96 7, 3 | En zij legerden zich in het dal bij Bethulië aan de 97 7, 4 | de ander: Deze zullen nu het aanschijn van het gehele 98 7, 4 | zullen nu het aanschijn van het gehele land opslikken, en 99 7, 6 | al zijn ruiters uit, voor het gezicht der kinderen Israëls, 100 7, 9 | waarin zij wonen, want het is niet licht de spitsen 101 7, 10| behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten 102 7, 10| en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen 103 7, 12| 12 En het heer der kinderen Ammons, 104 7, 12| en sloegen hun leger in het dal, en namen de waterleidingen 105 7, 12| en sloegen hun leger op het gebergte tegenover Dothaïm, 106 7, 12| enigen uit de hunnen tegen het zuiden en het oosten, tegenover 107 7, 12| hunnen tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel, 108 7, 12| omtrent de beek Mochmor; en het overige leger der Assyriërs 109 7, 12| Assyriërs legde zich neder in het vlakke veld, en bedekte 110 7, 12| vlakke veld, en bedekte het gehele aangezicht des lands, 111 7, 13| om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, 112 7, 13| geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen 113 7, 15| gehele stad over tot buit aan het volk van Holofernes, en 114 7, 16| 16 Want het is ons beter, dat wij hun 115 7, 18| eendrachtig geschrei van allen in het midden der vergadering, 116 7, 19| wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet verlaten.~ 117 7, 20| woorden doen. En zo heeft hij het volk doen scheiden elk naar 118 8, 3 | degene die de schoven bond in het veld, en de hitte kwam op 119 8, 3 | hem bij zijn vaderen, in het veld dat tussen Dothaïm 120 8, 5 | maakte zichzelf een tent op het dak van haar huis, en deed 121 8, 6 | de dagen der vreugde van het huis Israëls.~ 122 8, 10| welke gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en 123 8, 11| in Gods plaats gezet, in het midden van de kinderen der 124 8, 13| 13 Want de diepte van het hart des mensen kunt gij 125 8, 14| om ons te verdelgen voor het aanschijn onzer vijanden.~ 126 8, 16| onze stem verhoren, indien het hem behagelijk is.~ 127 8, 21| ons hangt hun leven af, en het heiligdom, en het huis Gods, 128 8, 21| af, en het heiligdom, en het huis Gods, en het altaar 129 8, 21| heiligdom, en het huis Gods, en het altaar steunt op ons. Boven 130 8, 23| overkomen in Mesopotamië in het land Syrië, als hij de schapen 131 8, 25| eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen heeft al 132 8, 25| begin uwer dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, 133 8, 25| uws harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst en 134 8, 29| zeggen wat ik doe, totdat het zal volbracht zijn.~ 135 9, 1 | zak, die zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem 136 9, 1 | tijd dat te Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk van 137 9, 1 | Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk van die avond geofferd 138 9, 2 | mijns vaders Simeon, die het zwaard in zijn hand gegeven 139 9, 2 | want gij hadt gezegd, het zal zo niet zijn) en die 140 9, 9 | uw heerlijke naam, en met het breekijzer om te werpen 141 9, 16| mijns vaders, gij God van het erfdeel Israëls, gij Here 142 9, 18| des bergs Sion, en tegen het huis der bezitting van uw 143 9, 19| geen ander beschutter van het geslacht Israëls is dan 144 10, 1 | 1 EN het geschiedde toen zij ophield 145 10, 2 | dienstmaagd, en kwam beneden in het huis, waar zij zich ophield 146 10, 3 | dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en 147 10, 3 | bekleed was in de dagen van het leven haars mans Manasse.~ 148 10, 10| afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij 149 10, 11| 11 Toen gingen deze in het dal recht heen en de voorwacht 150 10, 13| 13 En ik kom tot het aangezicht van Holofernes 151 10, 13| waardoor hij trekken zal, en het gehele gebergte veroveren, 152 10, 14| aangezicht aanmerkten, zo was het voor hen zeer wonderlijk 153 10, 15| gehaast hebt af te komen tot het aangezicht onzes heren. 154 10, 16| daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar 155 10, 16| onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van 156 10, 16| welke overgelaten zijnde het gehele land door listigheid 157 11, 3 | gij zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; 158 11, 6 | vernuftige daden uws harten, en het wordt verkondigd in het 159 11, 6 | het wordt verkondigd in het gehele aardrijk, dat gij 160 11, 6 | alleen kloek zijt in geheel het koninkrijk, en machtig in 161 11, 8 | wordt geen wraak genomen, en het zwaard overweldigt het niet, 162 11, 8 | en het zwaard overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen 163 11, 9 | zo is de dood hun over het aanschijn gevallen, en een 164 11, 10| spijs ontbroken heeft, en al het water zeer weinig is geworden, 165 11, 11| priesters, die te Jeruzalem voor het aanschijn onzes Gods staan, 166 11, 11| welke zelfs niemand uit het volk met de handen betaamt 167 11, 12| toelating van de raad; en het zal geschieden, als hun 168 11, 13| te doen, waarover zich in het gehele aardrijk zullen ontzetten, 169 11, 14| zal des nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, 170 11, 15| En ik zal u leiden door het midden van Judea, totdat 171 11, 16| 16 En ik zal uw stoel in het midden van hen zetten, en 172 11, 19| dergelijke vrouw niet van het ene einde der aarde tot 173 11, 19| ene einde der aarde tot het andere einde, in schoonheid 174 11, 21| God zijn, en gij zult in het huis des konings Nabuchodonosor 175 11, 21| zult vermaard zijn door het gehele land.~ 176 12, 3 | zeide tot haar: Maar wanneer het op zal zijn, dat bij u is, 177 12, 6 | dat zijn dienstmaagd tot het gebed uitga; en Holofernes 178 12, 7 | 7 En zij verbleef in het leger drie dagen, en zij 179 12, 7 | ging des nachts uit naar het dal van Bethulië, en zij 180 12, 7 | Bethulië, en zij wies zich in het leger, in de waterfonteinen.~ 181 12, 10| 10 En het geschiedde op de vierde 182 12, 11| 11 Want zie, het is schande voor ons dat 183 12, 12| der Assyriërs, welke in het huis van Nabuchodonosor 184 12, 16| 16 En het hart van Holofernes ontzette 185 12, 18| deze dag meer verheven dan het geweest is van al de dagen 186 13, 1 | 1 EN als het laat geworden was, zo haastten 187 13, 6 | verhoging Jeruzalems, want het is nu de rechte tijd, om 188 13, 7 | ging naar de sponde van het bed, die aan Holofernes' 189 13, 7 | vandaar, en nabij komende aan het bed, greep zij het haar 190 13, 7 | komende aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd aan 191 13, 9 | hoofd af, en zij wentelde het lichaam van het bed.~ 192 13, 9 | wentelde het lichaam van het bed.~ 193 13, 10| 10 En nam het behangsel van de pilaren 194 13, 11| en gaf haar dienstmaagd het hoofd van Holofernes over, 195 13, 11| Holofernes over, en die stak het in de zak harer spijs.~ 196 13, 12| naar haar gewoonte, en door het leger gegaan zijnde, gingen 197 13, 14| 14 En het geschiedde als de mannen 198 13, 15| minste tot de meeste, want het dacht hun vreemd, dat zij 199 13, 18| zijn barmhartigheid van het huis Israëls niet afwendt, 200 13, 19| 19 En zij trok het hoofd van Holofernes uit 201 13, 19| Holofernes uit de zak, en toonde het, en zeide tot hen: Ziet 202 13, 19| zeide tot hen: Ziet hier het hoofd van Holofernes, de 203 13, 19| Holofernes, de veldoverste van het leger der Assyriërs, en 204 13, 19| Assyriërs, en ziet hier, en ziet het behangsel onder hetwelk 205 13, 21| 21 En al het volk ontzette zich zeer, 206 13, 25| niet geweerd worden uit het hart der mensen, die de 207 13, 26| 26 En al het volk zeide: Het zij alzo! 208 13, 26| 26 En al het volk zeide: Het zij alzo! het zij alzo!~ 209 13, 26| volk zeide: Het zij alzo! het zij alzo!~ 210 14, 2 | gij wildet nederdalen in het veld, tegen de eerste wacht 211 14, 3 | zullen de hoofdlieden van het leger der Assyriërs opwekken.~ 212 14, 6 | zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, 213 14, 6 | en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij 214 14, 6 | Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, 215 14, 6 | Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen 216 14, 6 | van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en 217 14, 7 | zeer aan God, en besneed het vlees zijner voorhuid, en 218 14, 7 | zijner voorhuid, en werd tot het huis Israëls toegevoegd 219 14, 8 | morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes van 220 14, 15| niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven 221 14, 15| heeft schaamte gebracht over het huis des konings Nabuchodonosors, 222 14, 16| 16 Als nu de oversten van het leger der Assyriërs deze 223 14, 17| en geroep werd groot in het midden van het leger.~ 224 14, 17| groot in het midden van het leger.~ 225 15, 2 | mens die staande bleef voor het aanschijn zijns naasten, 226 15, 2 | gezamenlijk op alle wegen van het vlakke veld, en van het 227 15, 2 | het vlakke veld, en van het gebergte; en die zich gelegerd 228 15, 2 | zich gelegerd hadden op het gebergte rondom Bethulië, 229 15, 5 | daar gekomen waren, en uit het ganse gebergte, want zij 230 15, 5 | zij boodschapten hun wat het leger van hun vijanden overkomen 231 15, 7 | Bethulië woonden, vielen in het leger der Assyriërs en beroofden 232 15, 8 | vlekken en de steden in het gebergte en op het vlakke 233 15, 8 | steden in het gebergte en op het vlakke veld kregen veel 234 15, 9 | kwamen om te aanschouwen het goede dat God Israël gedaan 235 15, 11| ten eeuwigen tijde, en al het volk zeide: Het zij alzo!~ 236 15, 11| tijde, en al het volk zeide: Het zij alzo!~ 237 15, 12| 12 En al het volk plunderde het leger, 238 15, 12| En al het volk plunderde het leger, dertig dagen lang.~ 239 15, 13| tent van Holofernes, en al het zilverwerk, en de bedden, 240 15, 13| zijn huisraad, en zij nam het aan, en zij legde het op 241 15, 13| nam het aan, en zij legde het op haar muilezel en zij 242 15, 15| olijftakken. En zij ging voor het ganse volk in de rei, leidende 243 16, 1 | zingen onder gans Israël, en het gehele volk zong deze lofzang 244 16, 3 | heeft in zijn leger, in het midden des volks, mij verlost, 245 16, 4 | kwam uit de gebergten van het noorden;~ 246 16, 6 | mannen zou ombrengen door het zwaard, en mijn zuigelingen 247 16, 14| gewond, zij zijn vergaan door het heer des Heren, mijns Gods.~ 248 16, 17| schepsel u diene, want gij hebt het gezegd, en zij zijn geworden. 249 16, 19| klein ding voor u, en al het vette tot brandoffer is 250 16, 19| vette tot brandoffer is het allerminste, maar die de 251 16, 22| aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd was, offerden 252 16, 23| vaten van Holofernes, die het volk haar gegeven had, en 253 16, 23| volk haar gegeven had, en het behangsel, dat zij uit zijn 254 16, 24| 24 En het volk was vrolijk te Jeruzalem, 255 16, 24| vrolijk te Jeruzalem, voor het heiligdom, drie maanden 256 16, 26| haar tijd zeer geëerd in het gehele land.~ 257 16, 28| groot, en zij werd oud in het huis haars mans, honderdenvijf 258 16, 28| van haar man Manasse, en het huis Israëls droeg zeven


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License