Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 IN het twaalfde jaar van het koninkrijk
2 1, 1 | IN het twaalfde jaar van het koninkrijk van Nabuchodonosor,
3 1, 4 | 4 En legde het fundament van de muren daarvan
4 1, 6 | en aan de Hydaspes, en in het platte land van Arioch,
5 1, 7 | en tot allen die tegen het westen woonden, en die in
6 1, 8 | en tot Opper-Galilea, en het grote veld Esdrelon.~
7 1, 9 | Tafnesa, en Ramesse, en het gehele land Gesem,~
8 1, 10| komt aan de overzijde van het gebergte Tanis en Memfis,
9 1, 11| inwoners dezes lands verachtten het woord van Nabuchodonosor,
10 1, 12| en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen al
11 1, 12| ombrengen al de inwoners van het land Moab, en de kinderen
12 1, 13| tegen de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij
13 2, 1 | 1 EN in het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste
14 2, 1 | maand, werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor,
15 2, 1 | van wraak te oefenen over het ganse land, gelijk hij gezegd
16 2, 2 | verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad van dat land.~
17 2, 3 | uitroeien al degenen, die het bevel zijns monds niet nagevolgd
18 2, 4 | 4 En het geschiedde, als hij zijn
19 2, 5 | gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen,
20 2, 5 | tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord
21 2, 5 | naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam
22 2, 5 | in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde
23 2, 6 | heren overtreden, maar zult het gans volbrengen, gelijk
24 2, 6 | gij zult niet vertragen het te doen.~
25 2, 7 | Holofernes ging uit van voor het aanschijn zijns heren, en
26 2, 7 | krijgsoversten, en de hoofdlieden van het leger der Assyriërs, en
27 2, 11| Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht des lands
28 2, 11| aangezicht des lands tegen het westen met hun wagenen,
29 2, 11| als sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon
30 2, 12| dagreizen, op de vlakte van het veld Bektileth; en hij sloeg
31 2, 12| wagenen, en trok van daar naar het gebergte.~
32 2, 13| woonden aan de woestijn tegen het zuiden des lands Chellon,
33 2, 15| landpalen van Jafet, die tegen het zuiden en tegen Arabië liggen.~
34 2, 17| 17 En hij daalde af in het veld van Damaskus, in de
35 3, 3 | 3 Doe met ons, gelijk het u behaagt.~
36 3, 4 | voor u, doe daarmee gelijk het u behaagt.~
37 3, 5 | en handel met hen, gelijk het goed is in uw ogen.~
38 3, 9 | 9 En zij zelf, en het land dat rondom hen lag,
39 3, 11| 11 En het was bij hem besloten, dat
40 3, 13| 13 En hij kwam in het gezicht van die van Esdrelon
41 4, 2 | wedergekomen uit de gevangenis, en het ganse volk was kort tevoren
42 4, 2 | uit Judea; en de vaten en het altaar en het huis Gods
43 4, 2 | de vaten en het altaar en het huis Gods waren van de ontheiliging
44 4, 3 | Choba, en Esora, en naar het dal Salem, en zij namen
45 4, 5 | dat zij de opgangen van het gebergte zouden inhouden,~
46 4, 6 | ingang was naar Judea, en het licht was te beletten degenen
47 4, 10| woonden, vielen neder in het gezicht des tempels,~
48 4, 11| spreidden hun zakken uit voor het aanschijn des Heren.~
49 4, 12| 12 En zij bekleedden het altaar met een zak.~
50 4, 15| 15 En het volk vastte vele dagen lang
51 4, 15| gans Judea en Jeruzalem, in het gezicht van het heiligdom
52 4, 15| Jeruzalem, in het gezicht van het heiligdom des Heren de almachtige.~
53 4, 16| omgord hebbende, offerden het brandoffer des gedurigen
54 4, 17| van ganser kracht, dat hij het gehele huis Israëls ten
55 5, 1 | 1 EN het werd Holofernes, de krijgsoverste
56 5, 1 | Holofernes, de krijgsoverste van het heerleger der Assyriërs,
57 5, 1 | dat zij de doorgangen van het gebergte besloten, en al
58 5, 2 | Ammonieten, en al de vorsten van het land aan de zee.~
59 5, 3 | gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en
60 5, 4 | buiten al degenen die in het westen wonen.~
61 5, 7 | hunner vaderen, welke in het land van Chaldea waren;~
62 5, 8 | hebben hen verdreven van het aangezicht hunner goden;
63 5, 8 | dat zij zouden gaan uit het land van hun vreemdelingschap,
64 5, 8 | vreemdelingschap, en reizen naar het land Kanaän, en zij bleven
65 5, 9 | Egypte, (want hongersnood had het land Kanaän bedekt) en woonden
66 5, 14| hebben zich neergezet in het land der Ammorieten.~
67 5, 18| Gergesenen; en zij hebben in het gebergte vele dagen gewoond.~
68 5, 19| zondigden tegen hun God ging het hun wel; want met hen is
69 5, 22| heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond, want het
70 5, 22| het gebergte bewoond, want het was woest.~
71 5, 24| tot een smaad zijn voor het gehele land.~
72 5, 25| 25 En het geschiedde, als Achior ophield
73 5, 25| woorden te spreken, dat al het volk murmureerde, hetwelk
74 5, 26| geweldigen van Holofernes, en die het land aan de zee, en der
75 5, 26| kinderen Israëls, want ziet het is een volk waarin geen
76 6, 1 | 1 EN als het gemurmel der mannen, die
77 6, 1 | Assyriërs tot Achior, voor het ganse volk der uitlanders
78 6, 2 | en gezegd hebt, dat wij het geslacht Israëls niet zouden
79 6, 3 | afzenden en hen verdelgen van het aanschijn des aardbodems,
80 6, 4 | aardrijks, want hij heeft het gezegd, en de woorden zijner
81 6, 5 | gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns heerlegers,
82 6, 5 | zwaard mijns heerlegers, en het volk mijner dienstknechten
83 6, 6 | knechten zullen u brengen op het gebergte, en zullen u stellen
84 6, 6 | aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken, en geen mijner
85 6, 6 | aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken, en geen mijner
86 6, 8 | en brachten hem buiten het leger in het vlakke veld,
87 6, 8 | hem buiten het leger in het vlakke veld, en trokken
88 6, 8 | vlakke veld, en trokken van het midden des vlakken velds
89 6, 8 | midden des vlakken velds naar het gebergte, en kwamen tot
90 6, 12| En zij stelden Achior in het midden van al hun volk,
91 6, 13| die hij gesproken had in het midden van de oversten der
92 6, 13| Holofernes had gesproken tegen het huis Israëls.~
93 6, 14| 14 En het volk, nedervallende, bad
94 6, 15| en zie ten dezen dage aan het aanschijn van degenen, die
95 7, 1 | Bethulië, en de toegangen van het gebergte eerst innemen,
96 7, 3 | En zij legerden zich in het dal bij Bethulië aan de
97 7, 4 | de ander: Deze zullen nu het aanschijn van het gehele
98 7, 4 | zullen nu het aanschijn van het gehele land opslikken, en
99 7, 6 | al zijn ruiters uit, voor het gezicht der kinderen Israëls,
100 7, 9 | waarin zij wonen, want het is niet licht de spitsen
101 7, 10| behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten
102 7, 10| en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen
103 7, 12| 12 En het heer der kinderen Ammons,
104 7, 12| en sloegen hun leger in het dal, en namen de waterleidingen
105 7, 12| en sloegen hun leger op het gebergte tegenover Dothaïm,
106 7, 12| enigen uit de hunnen tegen het zuiden en het oosten, tegenover
107 7, 12| hunnen tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel,
108 7, 12| omtrent de beek Mochmor; en het overige leger der Assyriërs
109 7, 12| Assyriërs legde zich neder in het vlakke veld, en bedekte
110 7, 12| vlakke veld, en bedekte het gehele aangezicht des lands,
111 7, 13| om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs,
112 7, 13| geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen
113 7, 15| gehele stad over tot buit aan het volk van Holofernes, en
114 7, 16| 16 Want het is ons beter, dat wij hun
115 7, 18| eendrachtig geschrei van allen in het midden der vergadering,
116 7, 19| wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet verlaten.~
117 7, 20| woorden doen. En zo heeft hij het volk doen scheiden elk naar
118 8, 3 | degene die de schoven bond in het veld, en de hitte kwam op
119 8, 3 | hem bij zijn vaderen, in het veld dat tussen Dothaïm
120 8, 5 | maakte zichzelf een tent op het dak van haar huis, en deed
121 8, 6 | de dagen der vreugde van het huis Israëls.~
122 8, 10| welke gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en
123 8, 11| in Gods plaats gezet, in het midden van de kinderen der
124 8, 13| 13 Want de diepte van het hart des mensen kunt gij
125 8, 14| om ons te verdelgen voor het aanschijn onzer vijanden.~
126 8, 16| onze stem verhoren, indien het hem behagelijk is.~
127 8, 21| ons hangt hun leven af, en het heiligdom, en het huis Gods,
128 8, 21| af, en het heiligdom, en het huis Gods, en het altaar
129 8, 21| heiligdom, en het huis Gods, en het altaar steunt op ons. Boven
130 8, 23| overkomen in Mesopotamië in het land Syrië, als hij de schapen
131 8, 25| eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen heeft al
132 8, 25| begin uwer dagen heeft al het volk uw vernuft bekend,
133 8, 25| uws harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst en
134 8, 29| zeggen wat ik doe, totdat het zal volbracht zijn.~
135 9, 1 | zak, die zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem
136 9, 1 | tijd dat te Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk van
137 9, 1 | Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk van die avond geofferd
138 9, 2 | mijns vaders Simeon, die het zwaard in zijn hand gegeven
139 9, 2 | want gij hadt gezegd, het zal zo niet zijn) en die
140 9, 9 | uw heerlijke naam, en met het breekijzer om te werpen
141 9, 16| mijns vaders, gij God van het erfdeel Israëls, gij Here
142 9, 18| des bergs Sion, en tegen het huis der bezitting van uw
143 9, 19| geen ander beschutter van het geslacht Israëls is dan
144 10, 1 | 1 EN het geschiedde toen zij ophield
145 10, 2 | dienstmaagd, en kwam beneden in het huis, waar zij zich ophield
146 10, 3 | dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en
147 10, 3 | bekleed was in de dagen van het leven haars mans Manasse.~
148 10, 10| afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij
149 10, 11| 11 Toen gingen deze in het dal recht heen en de voorwacht
150 10, 13| 13 En ik kom tot het aangezicht van Holofernes
151 10, 13| waardoor hij trekken zal, en het gehele gebergte veroveren,
152 10, 14| aangezicht aanmerkten, zo was het voor hen zeer wonderlijk
153 10, 15| gehaast hebt af te komen tot het aangezicht onzes heren.
154 10, 16| daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar
155 10, 16| onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van
156 10, 16| welke overgelaten zijnde het gehele land door listigheid
157 11, 3 | gij zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan;
158 11, 6 | vernuftige daden uws harten, en het wordt verkondigd in het
159 11, 6 | het wordt verkondigd in het gehele aardrijk, dat gij
160 11, 6 | alleen kloek zijt in geheel het koninkrijk, en machtig in
161 11, 8 | wordt geen wraak genomen, en het zwaard overweldigt het niet,
162 11, 8 | en het zwaard overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen
163 11, 9 | zo is de dood hun over het aanschijn gevallen, en een
164 11, 10| spijs ontbroken heeft, en al het water zeer weinig is geworden,
165 11, 11| priesters, die te Jeruzalem voor het aanschijn onzes Gods staan,
166 11, 11| welke zelfs niemand uit het volk met de handen betaamt
167 11, 12| toelating van de raad; en het zal geschieden, als hun
168 11, 13| te doen, waarover zich in het gehele aardrijk zullen ontzetten,
169 11, 14| zal des nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden,
170 11, 15| En ik zal u leiden door het midden van Judea, totdat
171 11, 16| 16 En ik zal uw stoel in het midden van hen zetten, en
172 11, 19| dergelijke vrouw niet van het ene einde der aarde tot
173 11, 19| ene einde der aarde tot het andere einde, in schoonheid
174 11, 21| God zijn, en gij zult in het huis des konings Nabuchodonosor
175 11, 21| zult vermaard zijn door het gehele land.~
176 12, 3 | zeide tot haar: Maar wanneer het op zal zijn, dat bij u is,
177 12, 6 | dat zijn dienstmaagd tot het gebed uitga; en Holofernes
178 12, 7 | 7 En zij verbleef in het leger drie dagen, en zij
179 12, 7 | ging des nachts uit naar het dal van Bethulië, en zij
180 12, 7 | Bethulië, en zij wies zich in het leger, in de waterfonteinen.~
181 12, 10| 10 En het geschiedde op de vierde
182 12, 11| 11 Want zie, het is schande voor ons dat
183 12, 12| der Assyriërs, welke in het huis van Nabuchodonosor
184 12, 16| 16 En het hart van Holofernes ontzette
185 12, 18| deze dag meer verheven dan het geweest is van al de dagen
186 13, 1 | 1 EN als het laat geworden was, zo haastten
187 13, 6 | verhoging Jeruzalems, want het is nu de rechte tijd, om
188 13, 7 | ging naar de sponde van het bed, die aan Holofernes'
189 13, 7 | vandaar, en nabij komende aan het bed, greep zij het haar
190 13, 7 | komende aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd aan
191 13, 9 | hoofd af, en zij wentelde het lichaam van het bed.~
192 13, 9 | wentelde het lichaam van het bed.~
193 13, 10| 10 En nam het behangsel van de pilaren
194 13, 11| en gaf haar dienstmaagd het hoofd van Holofernes over,
195 13, 11| Holofernes over, en die stak het in de zak harer spijs.~
196 13, 12| naar haar gewoonte, en door het leger gegaan zijnde, gingen
197 13, 14| 14 En het geschiedde als de mannen
198 13, 15| minste tot de meeste, want het dacht hun vreemd, dat zij
199 13, 18| zijn barmhartigheid van het huis Israëls niet afwendt,
200 13, 19| 19 En zij trok het hoofd van Holofernes uit
201 13, 19| Holofernes uit de zak, en toonde het, en zeide tot hen: Ziet
202 13, 19| zeide tot hen: Ziet hier het hoofd van Holofernes, de
203 13, 19| Holofernes, de veldoverste van het leger der Assyriërs, en
204 13, 19| Assyriërs, en ziet hier, en ziet het behangsel onder hetwelk
205 13, 21| 21 En al het volk ontzette zich zeer,
206 13, 25| niet geweerd worden uit het hart der mensen, die de
207 13, 26| 26 En al het volk zeide: Het zij alzo!
208 13, 26| 26 En al het volk zeide: Het zij alzo! het zij alzo!~
209 13, 26| volk zeide: Het zij alzo! het zij alzo!~
210 14, 2 | gij wildet nederdalen in het veld, tegen de eerste wacht
211 14, 3 | zullen de hoofdlieden van het leger der Assyriërs opwekken.~
212 14, 6 | zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft,
213 14, 6 | en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij
214 14, 6 | Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag,
215 14, 6 | Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen
216 14, 6 | van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en
217 14, 7 | zeer aan God, en besneed het vlees zijner voorhuid, en
218 14, 7 | zijner voorhuid, en werd tot het huis Israëls toegevoegd
219 14, 8 | morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes van
220 14, 15| niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven
221 14, 15| heeft schaamte gebracht over het huis des konings Nabuchodonosors,
222 14, 16| 16 Als nu de oversten van het leger der Assyriërs deze
223 14, 17| en geroep werd groot in het midden van het leger.~
224 14, 17| groot in het midden van het leger.~
225 15, 2 | mens die staande bleef voor het aanschijn zijns naasten,
226 15, 2 | gezamenlijk op alle wegen van het vlakke veld, en van het
227 15, 2 | het vlakke veld, en van het gebergte; en die zich gelegerd
228 15, 2 | zich gelegerd hadden op het gebergte rondom Bethulië,
229 15, 5 | daar gekomen waren, en uit het ganse gebergte, want zij
230 15, 5 | zij boodschapten hun wat het leger van hun vijanden overkomen
231 15, 7 | Bethulië woonden, vielen in het leger der Assyriërs en beroofden
232 15, 8 | vlekken en de steden in het gebergte en op het vlakke
233 15, 8 | steden in het gebergte en op het vlakke veld kregen veel
234 15, 9 | kwamen om te aanschouwen het goede dat God Israël gedaan
235 15, 11| ten eeuwigen tijde, en al het volk zeide: Het zij alzo!~
236 15, 11| tijde, en al het volk zeide: Het zij alzo!~
237 15, 12| 12 En al het volk plunderde het leger,
238 15, 12| En al het volk plunderde het leger, dertig dagen lang.~
239 15, 13| tent van Holofernes, en al het zilverwerk, en de bedden,
240 15, 13| zijn huisraad, en zij nam het aan, en zij legde het op
241 15, 13| nam het aan, en zij legde het op haar muilezel en zij
242 15, 15| olijftakken. En zij ging voor het ganse volk in de rei, leidende
243 16, 1 | zingen onder gans Israël, en het gehele volk zong deze lofzang
244 16, 3 | heeft in zijn leger, in het midden des volks, mij verlost,
245 16, 4 | kwam uit de gebergten van het noorden;~
246 16, 6 | mannen zou ombrengen door het zwaard, en mijn zuigelingen
247 16, 14| gewond, zij zijn vergaan door het heer des Heren, mijns Gods.~
248 16, 17| schepsel u diene, want gij hebt het gezegd, en zij zijn geworden.
249 16, 19| klein ding voor u, en al het vette tot brandoffer is
250 16, 19| vette tot brandoffer is het allerminste, maar die de
251 16, 22| aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd was, offerden
252 16, 23| vaten van Holofernes, die het volk haar gegeven had, en
253 16, 23| volk haar gegeven had, en het behangsel, dat zij uit zijn
254 16, 24| 24 En het volk was vrolijk te Jeruzalem,
255 16, 24| vrolijk te Jeruzalem, voor het heiligdom, drie maanden
256 16, 26| haar tijd zeer geëerd in het gehele land.~
257 16, 28| groot, en zij werd oud in het huis haars mans, honderdenvijf
258 16, 28| van haar man Manasse, en het huis Israëls droeg zeven
|