Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zien 4
ziende 1
ziet 11
zij 241
zijden 1
zijn 167
zijnde 5
Frequency    [«  »]
552 de
266 van
258 het
241 zij
181 in
176 tot
171 hun

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

zij

    Chapter, Verse
1 1, 11| koning der Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot 2 1, 11| niet tot deze krijg, want zij vreesden hem niet, maar 3 2, 5 | land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam 4 2, 5 | zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen 5 2, 5 | hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, 6 2, 12| 12 En zij trokken uit van Nineve drie 7 3, 1 | 1 EN zij zonden gezanten tot hem 8 3, 9 | 9 En zij zelf, en het land dat rondom 9 4, 2 | 2 En zij werden uitermate bevreesd 10 4, 2 | des Heren huns Gods, want zij waren onlangs wedergekomen 11 4, 3 | 3 En zij zonden in de ganse landpale 12 4, 3 | en naar het dal Salem, en zij namen al de spitsen der 13 4, 4 | 4 En zij maakten muren om hun vlekken, 14 4, 5 | Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen van het gebergte 15 4, 8 | zielen met grote ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine 16 4, 12| 12 En zij bekleedden het altaar met 17 4, 13| 13 En zij riepen eendrachtig en met 18 4, 17| 17 En zij riepen tot de Here van ganser 19 5, 1 | bereiden tot de krijg, en dat zij de doorgangen van het gebergte 20 5, 1 | bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke velden beletsels 21 5, 3 | wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van 22 5, 4 | 4 En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben, 23 5, 4 | rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet gekomen, 24 5, 7 | 7 En zij hebben eerst als vreemdelingen 25 5, 7 | gewoond in Mesopotamië. Want zij wilden niet volgen de goden 26 5, 8 | hemels aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben hen 27 5, 8 | aangezicht hunner goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht, 28 5, 8 | hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit het land 29 5, 8 | naar het land Kanaän, en zij bleven daar wonen, en zijn 30 5, 9 | als vreemdelingen totdat zij wedergekeerd zijn, en zij 31 5, 9 | zij wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot een 32 5, 11| 11 En zij riepen tot hun God, en hij 33 5, 13| Sinaï, en Kades-Barneä en zij hebben verdreven allen die 34 5, 14| 14 En zij hebben zich neergezet in 35 5, 17| 17 Hebben zij dit gehele gebergte tot 36 5, 18| 18 En zij verdreven van voor hun aangezicht 37 5, 18| en al de Gergesenen; en zij hebben in het gebergte vele 38 5, 19| 19 En zo lang zij niet zondigden tegen hun 39 5, 20| 20 Maar toen zij afgeweken zijn van de weg, 40 5, 20| hun had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer 41 5, 22| zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen uit hun verstrooiing, 42 5, 22| hun verstrooiing, waarheen zij verstrooid waren, en hebben 43 5, 23| misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen tegen hun God, 44 5, 24| bescherme, en hun God vóór hen zij, en wij zullen tot een smaad 45 5, 26| zou houwen, want zeiden zij, wij vrezen niet voor de 46 5, 27| optrekken heer Holofernes en zij zullen een aas zijn voor 47 6, 3 | hen slaan als één man, en zij zullen de kracht van onze 48 6, 4 | voor ons aanschijn, maar zij zullen ganselijk omkomen. 49 6, 6 | met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen worden, 50 6, 7 | in zijn tent stonden, dat zij Achior zouden grijpen, en 51 6, 8 | spits des bergs zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten 52 6, 9 | 9 Maar zij, bedekt onder aan de berg 53 6, 9 | bonden Achior, en nadat zij hem aan de voet des bergs 54 6, 9 | geworpen hadden, lieten zij hem daar liggen, en keerden 55 6, 12| 12 En zij riepen al de oudsten der 56 6, 12| tezamen tot de vergadering. En zij stelden Achior in het midden 57 6, 16| 16 En zij vertroostten Achior en prezen 58 6, 18| 18 En zij riepen de God Israëls aan 59 7, 1 | deze krijg gekomen was, dat zij zouden optrekken naar Bethulië, 60 7, 3 | 3 En zij legerden zich in het dal 61 7, 3 | Bethulië aan de fontein, en zij strekten zich uit in de 62 7, 4 | kinderen Israëls nu als zij hun menigte zagen, werden 63 7, 5 | 5 En zij namen al hun wapenen en 64 7, 9 | hoogte van hun bergen, waarin zij wonen, want het is niet 65 7, 10| hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; 66 7, 10| uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, 67 7, 10| versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, 68 7, 10| zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de 69 7, 10| zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, 70 7, 10| u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet 71 7, 11| zijn dienstknechten, en zij bepaalden dat men doen zou 72 7, 11| dat men doen zou gelijk zij gesproken hadden.~ 73 7, 12| andere toerustingen legerden zij in grote hopen, en waren 74 7, 13| bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot 75 7, 13| jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, 76 7, 13| tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen 77 7, 18| midden der vergadering, en zij riepen tot God de Here met 78 7, 20| naar zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en torens 79 7, 20| naar hun huizen gezonden en zij waren in grote vernedering 80 8, 3 | in zijn stad Bethulië, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, 81 8, 5 | 5 En zij maakte zichzelf een tent 82 8, 5 | zak om haar lendenen, en zij was bekleed met klederen 83 8, 6 | 6 En zij vastte al de dagen van haar 84 8, 7 | 7 En zij was schoon van gedaante, 85 8, 7 | maagden, en vee en akkers, en zij hield zich daar op.~ 86 8, 8 | kwade zaak oplegde, want zij vreesde God zeer.~ 87 8, 9 | tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege 88 8, 9 | Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over 89 8, 10| 10 En zij kwamen tot haar, en zij 90 8, 10| zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij 91 8, 30| wraak over onze vijanden. En zij keerden weder uit haar tent, 92 9, 1 | en ontblootte de zak, die zij aan had, en het was nu de 93 9, 6 | vermenigvuldigd in hun heerleger, zij zijn hoogmoedig op hun paarden 94 9, 6 | de arm van hun voetvolk. Zij hopen op hun schilden en 95 9, 8 | 8 Want zij hebben voorgenomen uw heiligdom 96 10, 1 | 1 EN het geschiedde toen zij ophield van roepen tot de 97 10, 2 | 2 Dat zij opstond van haar voetval 98 10, 2 | beneden in het huis, waar zij zich ophield in de dagen 99 10, 2 | en in haar feestdagen, en zij legde de zak af, waarmede 100 10, 2 | legde de zak af, waarmede zij bekleed was, en trok haar 101 10, 3 | 3 En zij wies haar lichaam geheel 102 10, 3 | kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar 103 10, 3 | vreugde-klederen aan, waarmede zij bekleed was in de dagen 104 10, 4 | 4 En zij deed pantoffelen aan haar 105 10, 5 | 5 En zij gaf haar dienstmaagd een 106 10, 6 | 6 En zij gingen uit naar de poort 107 10, 7 | 7 Als zij nu haar zagen, en hoe haar 108 10, 7 | veranderd was, zo verwonderden zij zich uitermate zeer over 109 10, 8 | verhoging van Jeruzalem. En zij bad God aan,~ 110 10, 9 | met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongelingen haar 111 10, 9 | haar open te doen, gelijk zij gesproken had, en zij deden 112 10, 9 | gelijk zij gesproken had, en zij deden alzo.~ 113 10, 10| stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat 114 10, 10| berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, 115 10, 10| het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.~ 116 10, 12| 12 En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse 117 10, 12| vlucht van hen weg want zij zullen aan u overgegeven 118 10, 15| 15 En zij zeiden tot haar: Gij hebt 119 10, 15| zullen u geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen 120 10, 16| en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd 121 10, 16| ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, 122 10, 16| en omringden haar, gelijk zij stond buiten de tent van 123 10, 16| tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar 124 10, 16| van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar 125 10, 16| over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de 126 10, 18| was tezamen geweven, en zij boodschapten hem van haar, 127 10, 19| dienaren kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid 128 10, 19| schoonheid haars aanschijns, en zij, nedervallende op haar aangezicht, 129 11, 1 | moed, vrouwe, en uw hart zij niet bevreesd, want ik heb 130 11, 2 | niet opgeheven hebben, doch zij zelf hebben zich dit aangedaan.~ 131 11, 7 | u ter harte gaan, dewijl zij waarachtig is.~ 132 11, 8 | overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd 133 11, 9 | hen ingenomen, waardoor zij hun God zullen vertoornen, 134 11, 9 | zullen vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid zullen 135 11, 10| weinig is geworden, zo hebben zij beraadslaagd de hand te 136 11, 11| 11 Zij hebben ook voorgenomen tot 137 11, 11| wijn en van olie, welke zij bewaard hebben en geheiligd 138 11, 12| 12 En zij hebben enigen naar Jeruzalem 139 11, 12| zal geboodschapt zijn, en zij zullen hebben gedaan, dat 140 11, 12| zullen hebben gedaan, dat zij u zullen overgegeven worden, 141 11, 14| mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan 142 11, 18| zijn dienstknechten, en zij verwonderden zich over haar 143 11, 20| opdat in onze handen kracht zij, en degenen die mijn heer 144 12, 1 | opdissen van zijn spijs, en dat zij drinken zou van zijn wijn.~ 145 12, 5 | brachten haar in de tent, en zij sliep tot de middernacht; 146 12, 5 | sliep tot de middernacht; en zij stond op tegen de morgenwake.~ 147 12, 6 | 6 En zij zond tot Holofernes, zeggende: 148 12, 6 | beval zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.~ 149 12, 7 | 7 En zij verbleef in het leger drie 150 12, 7 | het leger drie dagen, en zij ging des nachts uit naar 151 12, 7 | het dal van Bethulië, en zij wies zich in het leger, 152 12, 8 | 8 En als zij weder opkwam, bad zij de 153 12, 8 | als zij weder opkwam, bad zij de Here, de God Israëls, 154 12, 9 | 9 En inkomende, bleef zij rein in de tent, totdat 155 12, 10| vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons 156 12, 11| haar niet tot ons trekken, zij zal ons bespotten.~ 157 12, 15| 15 Zo stond zij op en versierde zich met 158 12, 15| de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had 159 12, 15| dagelijks gebruik, opdat zij daarop nederzitten, en eten 160 12, 19| 19 En zij nam, en at, en dronk voor 161 13, 2 | 2 En zij gingen heen naar hun bedden, 162 13, 2 | heen naar hun bedden, want zij waren allen vermoeid, omdat 163 13, 4 | dienstmaagd bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer zou 164 13, 4 | dagelijks geschied was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou 165 13, 4 | was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou tot haar gebed, 166 13, 4 | uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met Bagoas dergelijke 167 13, 4 | dergelijke woorden gesproken; en zij gingen allen weg van haar 168 13, 7 | 7 En zij ging naar de sponde van 169 13, 7 | Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn sabel vandaar, 170 13, 7 | komende aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd 171 13, 9 | 9 En zij sloeg tweemaal in zijn hals 172 13, 9 | hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde het lichaam van 173 13, 11| En een weinig daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd 174 13, 12| 12 En zij beiden gingen tezamen uit, 175 13, 12| leger gegaan zijnde, gingen zij rondom dat dal heen, en 176 13, 14| stad haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af te komen 177 13, 14| naar hun stadspoort, en zij riepen de oudsten der stad 178 13, 15| 15 En zij liepen allen tezamen van 179 13, 15| het dacht hun vreemd, dat zij kwam en zij deden de poort 180 13, 15| vreemd, dat zij kwam en zij deden de poort open, en 181 13, 16| 16 En zij ontstaken vuur om te lichten, 182 13, 17| 17 Maar zij sprak tot hen met luider 183 13, 19| 19 En zij trok het hoofd van Holofernes 184 13, 21| nederbuigende, aanbaden zij God.~ 185 13, 24| 24 En geloofd zij de Here God, die de hemel 186 13, 26| En al het volk zeide: Het zij alzo! het zij alzo!~ 187 13, 26| zeide: Het zij alzo! het zij alzo!~ 188 14, 3 | 3 En zij zullen hun wapenen nemen, 189 14, 4 | 4 En zij zullen gelijkelijk lopen 190 14, 4 | vrees zal op hen vallen, en zij zullen voor uw aangezicht 191 14, 6 | dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis 192 14, 6 | onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel 193 14, 6 | midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan 194 14, 6 | had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij 195 14, 6 | zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij 196 14, 6 | zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo 197 14, 8 | morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes 198 14, 8 | en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun 199 14, 9 | hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, 200 14, 10| nederkomen in de krijg, opdat zij geheel verdelgd worden.~ 201 14, 16| woorden hoorden, zo scheurden zij hun klederen, en hun ziel 202 15, 1 | waren dat hoorden, ontzetten zij zich over hetgeen geschied 203 15, 4 | hetgeen er geschied was, opdat zij allen op de vijanden zouden 204 15, 5 | zulks gehoord hadden, vielen zij allen eendrachtiglijk op 205 15, 5 | het ganse gebergte, want zij boodschapten hun wat het 206 15, 6 | grote slachting, totdat zij voorbij Damaskus en haar 207 15, 10| 10 En als zij tot haar inkwamen, zegenden 208 15, 10| haar inkwamen, zegenden zij haar allen eendrachtig, 209 15, 11| en al het volk zeide: Het zij alzo!~ 210 15, 13| 13 En zij gaven aan Judith de tent 211 15, 13| en al zijn huisraad, en zij nam het aan, en zij legde 212 15, 13| en zij nam het aan, en zij legde het op haar muilezel 213 15, 13| het op haar muilezel en zij spande haar wagens in, en 214 15, 13| spande haar wagens in, en zij laadde dat op dezelve.~ 215 15, 14| zamen om haar te zien, en zij zegenden haar, en zij maakten 216 15, 14| en zij zegenden haar, en zij maakten zich een rei uit 217 15, 15| vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, 218 15, 15| waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse volk 219 16, 9 | 9 Want zij deed de klederen harer weduwschap 220 16, 10| 10 Zij zalfde haar aangezicht met 221 16, 10| gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, 222 16, 13| riepen mijn zwakken, en zij zijn verbaasd geworden; 223 16, 13| die verhieven hun stem, en zij zijn teruggekeerd.~ 224 16, 14| kinderen der overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan 225 16, 14| overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het heer 226 16, 17| gij hebt het gezegd, en zij zijn geworden. Gij hebt 227 16, 21| wormen in hun vlees geven, en zij zullen door de pijn tot 228 16, 22| 22 En als zij nu te Jeruzalem gekomen 229 16, 22| gekomen waren, aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd 230 16, 22| gereinigd was, offerden zij hun brandofferen en hun 231 16, 23| had, en het behangsel, dat zij uit zijn slaapkamer genomen 232 16, 23| slaapkamer genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor 233 16, 26| 26 En zij was in haar tijd zeer geëerd 234 16, 28| 28 En zij nam zeer toe, en was zeer 235 16, 28| toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis haars 236 16, 28| honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, 237 16, 28| haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij 238 16, 28| zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in de spelonk 239 16, 29| 29 En zij deelde haar goederen, eer 240 16, 29| deelde haar goederen, eer zij stierf, aan al de naaste 241 16, 30| ook in vele dagen, nadat zij gestorven was.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License