Chapter, Verse
1 1, 11| koning der Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot
2 1, 11| niet tot deze krijg, want zij vreesden hem niet, maar
3 2, 5 | land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam
4 2, 5 | zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen
5 2, 5 | hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven,
6 2, 12| 12 En zij trokken uit van Nineve drie
7 3, 1 | 1 EN zij zonden gezanten tot hem
8 3, 9 | 9 En zij zelf, en het land dat rondom
9 4, 2 | 2 En zij werden uitermate bevreesd
10 4, 2 | des Heren huns Gods, want zij waren onlangs wedergekomen
11 4, 3 | 3 En zij zonden in de ganse landpale
12 4, 3 | en naar het dal Salem, en zij namen al de spitsen der
13 4, 4 | 4 En zij maakten muren om hun vlekken,
14 4, 5 | Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen van het gebergte
15 4, 8 | zielen met grote ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine
16 4, 12| 12 En zij bekleedden het altaar met
17 4, 13| 13 En zij riepen eendrachtig en met
18 4, 17| 17 En zij riepen tot de Here van ganser
19 5, 1 | bereiden tot de krijg, en dat zij de doorgangen van het gebergte
20 5, 1 | bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke velden beletsels
21 5, 3 | wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van
22 5, 4 | 4 En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben,
23 5, 4 | rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet gekomen,
24 5, 7 | 7 En zij hebben eerst als vreemdelingen
25 5, 7 | gewoond in Mesopotamië. Want zij wilden niet volgen de goden
26 5, 8 | hemels aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben hen
27 5, 8 | aangezicht hunner goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht,
28 5, 8 | hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit het land
29 5, 8 | naar het land Kanaän, en zij bleven daar wonen, en zijn
30 5, 9 | als vreemdelingen totdat zij wedergekeerd zijn, en zij
31 5, 9 | zij wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot een
32 5, 11| 11 En zij riepen tot hun God, en hij
33 5, 13| Sinaï, en Kades-Barneä en zij hebben verdreven allen die
34 5, 14| 14 En zij hebben zich neergezet in
35 5, 17| 17 Hebben zij dit gehele gebergte tot
36 5, 18| 18 En zij verdreven van voor hun aangezicht
37 5, 18| en al de Gergesenen; en zij hebben in het gebergte vele
38 5, 19| 19 En zo lang zij niet zondigden tegen hun
39 5, 20| 20 Maar toen zij afgeweken zijn van de weg,
40 5, 20| hun had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer
41 5, 22| zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen uit hun verstrooiing,
42 5, 22| hun verstrooiing, waarheen zij verstrooid waren, en hebben
43 5, 23| misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen tegen hun God,
44 5, 24| bescherme, en hun God vóór hen zij, en wij zullen tot een smaad
45 5, 26| zou houwen, want zeiden zij, wij vrezen niet voor de
46 5, 27| optrekken heer Holofernes en zij zullen een aas zijn voor
47 6, 3 | hen slaan als één man, en zij zullen de kracht van onze
48 6, 4 | voor ons aanschijn, maar zij zullen ganselijk omkomen.
49 6, 6 | met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen worden,
50 6, 7 | in zijn tent stonden, dat zij Achior zouden grijpen, en
51 6, 8 | spits des bergs zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten
52 6, 9 | 9 Maar zij, bedekt onder aan de berg
53 6, 9 | bonden Achior, en nadat zij hem aan de voet des bergs
54 6, 9 | geworpen hadden, lieten zij hem daar liggen, en keerden
55 6, 12| 12 En zij riepen al de oudsten der
56 6, 12| tezamen tot de vergadering. En zij stelden Achior in het midden
57 6, 16| 16 En zij vertroostten Achior en prezen
58 6, 18| 18 En zij riepen de God Israëls aan
59 7, 1 | deze krijg gekomen was, dat zij zouden optrekken naar Bethulië,
60 7, 3 | 3 En zij legerden zich in het dal
61 7, 3 | Bethulië aan de fontein, en zij strekten zich uit in de
62 7, 4 | kinderen Israëls nu als zij hun menigte zagen, werden
63 7, 5 | 5 En zij namen al hun wapenen en
64 7, 9 | hoogte van hun bergen, waarin zij wonen, want het is niet
65 7, 10| hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven;
66 7, 10| uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger,
67 7, 10| versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen,
68 7, 10| zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de
69 7, 10| zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn,
70 7, 10| u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet
71 7, 11| zijn dienstknechten, en zij bepaalden dat men doen zou
72 7, 11| dat men doen zou gelijk zij gesproken hadden.~
73 7, 12| andere toerustingen legerden zij in grote hopen, en waren
74 7, 13| bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot
75 7, 13| jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten,
76 7, 13| tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen
77 7, 18| midden der vergadering, en zij riepen tot God de Here met
78 7, 20| naar zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en torens
79 7, 20| naar hun huizen gezonden en zij waren in grote vernedering
80 8, 3 | in zijn stad Bethulië, en zij begroeven hem bij zijn vaderen,
81 8, 5 | 5 En zij maakte zichzelf een tent
82 8, 5 | zak om haar lendenen, en zij was bekleed met klederen
83 8, 6 | 6 En zij vastte al de dagen van haar
84 8, 7 | 7 En zij was schoon van gedaante,
85 8, 7 | maagden, en vee en akkers, en zij hield zich daar op.~
86 8, 8 | kwade zaak oplegde, want zij vreesde God zeer.~
87 8, 9 | tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege
88 8, 9 | Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over
89 8, 10| 10 En zij kwamen tot haar, en zij
90 8, 10| zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij
91 8, 30| wraak over onze vijanden. En zij keerden weder uit haar tent,
92 9, 1 | en ontblootte de zak, die zij aan had, en het was nu de
93 9, 6 | vermenigvuldigd in hun heerleger, zij zijn hoogmoedig op hun paarden
94 9, 6 | de arm van hun voetvolk. Zij hopen op hun schilden en
95 9, 8 | 8 Want zij hebben voorgenomen uw heiligdom
96 10, 1 | 1 EN het geschiedde toen zij ophield van roepen tot de
97 10, 2 | 2 Dat zij opstond van haar voetval
98 10, 2 | beneden in het huis, waar zij zich ophield in de dagen
99 10, 2 | en in haar feestdagen, en zij legde de zak af, waarmede
100 10, 2 | legde de zak af, waarmede zij bekleed was, en trok haar
101 10, 3 | 3 En zij wies haar lichaam geheel
102 10, 3 | kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar
103 10, 3 | vreugde-klederen aan, waarmede zij bekleed was in de dagen
104 10, 4 | 4 En zij deed pantoffelen aan haar
105 10, 5 | 5 En zij gaf haar dienstmaagd een
106 10, 6 | 6 En zij gingen uit naar de poort
107 10, 7 | 7 Als zij nu haar zagen, en hoe haar
108 10, 7 | veranderd was, zo verwonderden zij zich uitermate zeer over
109 10, 8 | verhoging van Jeruzalem. En zij bad God aan,~
110 10, 9 | met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongelingen haar
111 10, 9 | haar open te doen, gelijk zij gesproken had, en zij deden
112 10, 9 | gelijk zij gesproken had, en zij deden alzo.~
113 10, 10| stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat
114 10, 10| berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was,
115 10, 10| het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.~
116 10, 12| 12 En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse
117 10, 12| vlucht van hen weg want zij zullen aan u overgegeven
118 10, 15| 15 En zij zeiden tot haar: Gij hebt
119 10, 15| zullen u geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen
120 10, 16| en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd
121 10, 16| ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar,
122 10, 16| en omringden haar, gelijk zij stond buiten de tent van
123 10, 16| tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar
124 10, 16| van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar
125 10, 16| over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de
126 10, 18| was tezamen geweven, en zij boodschapten hem van haar,
127 10, 19| dienaren kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid
128 10, 19| schoonheid haars aanschijns, en zij, nedervallende op haar aangezicht,
129 11, 1 | moed, vrouwe, en uw hart zij niet bevreesd, want ik heb
130 11, 2 | niet opgeheven hebben, doch zij zelf hebben zich dit aangedaan.~
131 11, 7 | u ter harte gaan, dewijl zij waarachtig is.~
132 11, 8 | overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd
133 11, 9 | hen ingenomen, waardoor zij hun God zullen vertoornen,
134 11, 9 | zullen vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid zullen
135 11, 10| weinig is geworden, zo hebben zij beraadslaagd de hand te
136 11, 11| 11 Zij hebben ook voorgenomen tot
137 11, 11| wijn en van olie, welke zij bewaard hebben en geheiligd
138 11, 12| 12 En zij hebben enigen naar Jeruzalem
139 11, 12| zal geboodschapt zijn, en zij zullen hebben gedaan, dat
140 11, 12| zullen hebben gedaan, dat zij u zullen overgegeven worden,
141 11, 14| mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan
142 11, 18| zijn dienstknechten, en zij verwonderden zich over haar
143 11, 20| opdat in onze handen kracht zij, en degenen die mijn heer
144 12, 1 | opdissen van zijn spijs, en dat zij drinken zou van zijn wijn.~
145 12, 5 | brachten haar in de tent, en zij sliep tot de middernacht;
146 12, 5 | sliep tot de middernacht; en zij stond op tegen de morgenwake.~
147 12, 6 | 6 En zij zond tot Holofernes, zeggende:
148 12, 6 | beval zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.~
149 12, 7 | 7 En zij verbleef in het leger drie
150 12, 7 | het leger drie dagen, en zij ging des nachts uit naar
151 12, 7 | het dal van Bethulië, en zij wies zich in het leger,
152 12, 8 | 8 En als zij weder opkwam, bad zij de
153 12, 8 | als zij weder opkwam, bad zij de Here, de God Israëls,
154 12, 9 | 9 En inkomende, bleef zij rein in de tent, totdat
155 12, 10| vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons
156 12, 11| haar niet tot ons trekken, zij zal ons bespotten.~
157 12, 15| 15 Zo stond zij op en versierde zich met
158 12, 15| de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had
159 12, 15| dagelijks gebruik, opdat zij daarop nederzitten, en eten
160 12, 19| 19 En zij nam, en at, en dronk voor
161 13, 2 | 2 En zij gingen heen naar hun bedden,
162 13, 2 | heen naar hun bedden, want zij waren allen vermoeid, omdat
163 13, 4 | dienstmaagd bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer zou
164 13, 4 | dagelijks geschied was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou
165 13, 4 | was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou tot haar gebed,
166 13, 4 | uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met Bagoas dergelijke
167 13, 4 | dergelijke woorden gesproken; en zij gingen allen weg van haar
168 13, 7 | 7 En zij ging naar de sponde van
169 13, 7 | Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn sabel vandaar,
170 13, 7 | komende aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd
171 13, 9 | 9 En zij sloeg tweemaal in zijn hals
172 13, 9 | hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde het lichaam van
173 13, 11| En een weinig daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd
174 13, 12| 12 En zij beiden gingen tezamen uit,
175 13, 12| leger gegaan zijnde, gingen zij rondom dat dal heen, en
176 13, 14| stad haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af te komen
177 13, 14| naar hun stadspoort, en zij riepen de oudsten der stad
178 13, 15| 15 En zij liepen allen tezamen van
179 13, 15| het dacht hun vreemd, dat zij kwam en zij deden de poort
180 13, 15| vreemd, dat zij kwam en zij deden de poort open, en
181 13, 16| 16 En zij ontstaken vuur om te lichten,
182 13, 17| 17 Maar zij sprak tot hen met luider
183 13, 19| 19 En zij trok het hoofd van Holofernes
184 13, 21| nederbuigende, aanbaden zij God.~
185 13, 24| 24 En geloofd zij de Here God, die de hemel
186 13, 26| En al het volk zeide: Het zij alzo! het zij alzo!~
187 13, 26| zeide: Het zij alzo! het zij alzo!~
188 14, 3 | 3 En zij zullen hun wapenen nemen,
189 14, 4 | 4 En zij zullen gelijkelijk lopen
190 14, 4 | vrees zal op hen vallen, en zij zullen voor uw aangezicht
191 14, 6 | dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis
192 14, 6 | onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel
193 14, 6 | midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan
194 14, 6 | had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij
195 14, 6 | zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij
196 14, 6 | zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo
197 14, 8 | morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes
198 14, 8 | en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun
199 14, 9 | hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes,
200 14, 10| nederkomen in de krijg, opdat zij geheel verdelgd worden.~
201 14, 16| woorden hoorden, zo scheurden zij hun klederen, en hun ziel
202 15, 1 | waren dat hoorden, ontzetten zij zich over hetgeen geschied
203 15, 4 | hetgeen er geschied was, opdat zij allen op de vijanden zouden
204 15, 5 | zulks gehoord hadden, vielen zij allen eendrachtiglijk op
205 15, 5 | het ganse gebergte, want zij boodschapten hun wat het
206 15, 6 | grote slachting, totdat zij voorbij Damaskus en haar
207 15, 10| 10 En als zij tot haar inkwamen, zegenden
208 15, 10| haar inkwamen, zegenden zij haar allen eendrachtig,
209 15, 11| en al het volk zeide: Het zij alzo!~
210 15, 13| 13 En zij gaven aan Judith de tent
211 15, 13| en al zijn huisraad, en zij nam het aan, en zij legde
212 15, 13| en zij nam het aan, en zij legde het op haar muilezel
213 15, 13| het op haar muilezel en zij spande haar wagens in, en
214 15, 13| spande haar wagens in, en zij laadde dat op dezelve.~
215 15, 14| zamen om haar te zien, en zij zegenden haar, en zij maakten
216 15, 14| en zij zegenden haar, en zij maakten zich een rei uit
217 15, 15| vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen,
218 15, 15| waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse volk
219 16, 9 | 9 Want zij deed de klederen harer weduwschap
220 16, 10| 10 Zij zalfde haar aangezicht met
221 16, 10| gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding,
222 16, 13| riepen mijn zwakken, en zij zijn verbaasd geworden;
223 16, 13| die verhieven hun stem, en zij zijn teruggekeerd.~
224 16, 14| kinderen der overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan
225 16, 14| overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het heer
226 16, 17| gij hebt het gezegd, en zij zijn geworden. Gij hebt
227 16, 21| wormen in hun vlees geven, en zij zullen door de pijn tot
228 16, 22| 22 En als zij nu te Jeruzalem gekomen
229 16, 22| gekomen waren, aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd
230 16, 22| gereinigd was, offerden zij hun brandofferen en hun
231 16, 23| had, en het behangsel, dat zij uit zijn slaapkamer genomen
232 16, 23| slaapkamer genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor
233 16, 26| 26 En zij was in haar tijd zeer geëerd
234 16, 28| 28 En zij nam zeer toe, en was zeer
235 16, 28| toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis haars
236 16, 28| honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid,
237 16, 28| haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij
238 16, 28| zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in de spelonk
239 16, 29| 29 En zij deelde haar goederen, eer
240 16, 29| deelde haar goederen, eer zij stierf, aan al de naaste
241 16, 30| ook in vele dagen, nadat zij gestorven was.~
|