Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
toorn 3
toornig 1
torens 4
tot 176
totdat 16
trekken 2
trok 9
Frequency    [«  »]
258 het
241 zij
181 in
176 tot
171 hun
167 zijn
166 die

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

tot

    Chapter, Verse
1 1, 4 | fundament van de muren daarvan tot zestig ellen in de breedte.~ 2 1, 5 | maakte haar poorten verheven tot de hoogte van zeventig ellen, 3 1, 5 | breedte van veertig ellen, tot de uittocht van zijn machtige 4 1, 5 | zijn machtige legers, en tot de ordeningen van zijn voetvolk.~ 5 1, 6 | van Gilod kwamen tezamen tot die krijg.~ 6 1, 7 | koning der Assyriërs, zond tot allen die in Perzië woonden, 7 1, 7 | die in Perzië woonden, en tot allen die tegen het westen 8 1, 8 | 8 Mitsgaders tot de volken van de berg Karmel, 9 1, 8 | Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, en het grote 10 1, 9 | 9 En tot allen die in Samaria waren, 11 1, 9 | die in Samaria waren, en tot hun steden, en over de Jordaan 12 1, 9 | steden, en over de Jordaan tot Jeruzalem toe, en Bethane, 13 1, 10| gebergte Tanis en Memfis, en tot allen, die in Egypte woonden, 14 1, 11| zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want zij vreesden 15 1, 14| 14 En kwam tot Ecbatana toe, en nam de 16 1, 14| haar sieraad maakte hij tot schande.~ 17 1, 15| pijlen, en verdierf hem tot die dag toe.~ 18 2, 4 | na hem was, en hij zeide tot hem:~ 19 2, 5 | op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend 20 2, 5 | paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult 21 2, 5 | ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten 22 2, 5 | zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse 23 2, 5 | gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.~ 24 2, 6 | gij zult hen overgeven tot de dood, en tot een roof 25 2, 6 | overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land; 26 2, 7 | telde uitgelezen mannen tot de krijg, gelijk hem zijn 27 2, 7 | hem zijn heer bevolen had, tot honderdentwintigduizend, 28 2, 8 | hij nam kemelen en ezelen tot hun bagage, een zeer grote 29 2, 8 | schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder getal.~ 30 2, 15| hem wederstonden, en kwam tot aan de landpalen van Jafet, 31 2, 18| en allen die daar woonden tot Jemnaän; en die daar woonden 32 3, 1 | 1 EN zij zonden gezanten tot hem met woorden van vrede, 33 3, 6 | 6 En die mannen zijn tot Holofernes gekomen, en hebben 34 3, 8 | nam daaruit krijgsvolk aan tot zijn krijg, uitgelezen mannen.~ 35 3, 12| en al hun geslachten hem tot een god aanroepen.~ 36 4, 4 | waren, en beschikten koren tot voorraad van de krijg, overmits 37 4, 8 | de mannen Israëls riepen tot God met grote ernst, en 38 4, 13| eendrachtig en met ernst tot de God Israëls, dat hij 39 4, 13| jonge kinderen niet overgave tot een roof, en hun vrouwen 40 4, 13| een roof, en hun vrouwen tot buit, noch de steden hunner 41 4, 13| de steden hunner erfenis tot verwoesting, noch hun heiligdommen 42 4, 13| verwoesting, noch hun heiligdommen tot ontheiliging en smaad, de 43 4, 13| ontheiliging en smaad, de heidenen tot vreugde.~ 44 4, 17| 17 En zij riepen tot de Here van ganser kracht, 45 5, 1 | kinderen Israëls zich bereiden tot de krijg, en dat zij de 46 5, 3 | 3 En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij 47 5, 5 | de kinderen Ammons, zeide tot hem: Mijnheer hoor toch 48 5, 9 | en zij zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun 49 5, 10| vernederde hen, en maakte hen tot slaven.~ 50 5, 11| 11 En zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans 51 5, 17| zij dit gehele gebergte tot een erfenis ontvangen.~ 52 5, 21| en de tempel huns Gods is tot de grond toe afgeworpen, 53 5, 22| 22 En nu bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen 54 5, 24| vóór hen zij, en wij zullen tot een smaad zijn voor het 55 5, 26| geen kracht is, noch macht tot een sterk heerleger.~ 56 6, 1 | heerlegers der Assyriërs tot Achior, voor het ganse volk 57 6, 1 | ganse volk der uitlanders en tot alle kinderen Moabs:~ 58 6, 5 | onder hun gekwetsten, als ik tot u zal wedergekeerd zijn.~ 59 6, 8 | het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder 60 6, 9 | liggen, en keerden weder tot hun heer.~ 61 6, 10| Israëls kwamen nederwaarts tot hem uit hun stad, en maakten 62 6, 12| de vrouwen liepen tezamen tot de vergadering. En zij stelden 63 7, 1 | en al zijn volk, hetwelk tot zijn hulp in deze krijg 64 7, 3 | de breedte naar Dothaïm tot Belthem toe, en in de lengte 65 7, 3 | lengte van onder Bethulië, tot aan Kyamon, hetwelk ligt 66 7, 4 | ontroerd, en de een zeide tot de ander: Deze zullen nu 67 7, 8 | 8 En tot hen kwamen al de oversten 68 7, 13| kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun 69 7, 13| zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, 70 7, 13| ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten 71 7, 13| kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen 72 7, 13| met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij 73 7, 13| van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.~ 74 7, 15| 15 En nu, roept hen tot u, en geeft de gehele stad 75 7, 15| geeft de gehele stad over tot buit aan het volk van Holofernes, 76 7, 16| worden, zo zullen wij hun tot knechten zijn, en onze ziel 77 7, 17| 17 Wij nemen tegen u tot getuigen de hemel en de 78 7, 18| vergadering, en zij riepen tot God de Here met luider stem.~ 79 7, 19| 19 En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, broeders, 80 7, 19| wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet verlaten.~ 81 8, 9 | goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, 82 8, 10| 10 En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: 83 8, 10| kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten 84 8, 14| de Here, onze God, niet tot gramschap. Want zo hij in 85 8, 16| wachten, en hem aanroepen tot onze hulp, en Hij zal onze 86 8, 20| dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een 87 8, 20| zullen tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, 88 8, 20| zal niet gericht worden tot genade, maar de Here, onze 89 8, 20| de Here, onze God, zal ze tot oneer zetten.~ 90 8, 24| door vuur beproefd heeft tot onderzoeking huns harten, 91 8, 24| degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.~ 92 8, 25| 25 En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij gezegd 93 8, 27| 27 En Judith zeide tot hen: Hoort mij en ik zal 94 8, 27| doen, hetwelk van geslacht tot geslacht zal komen tot onze 95 8, 27| geslacht tot geslacht zal komen tot onze nakomelingen.~ 96 8, 30| Ozias en de oversten zeiden tot haar: Ga in vrede, en de 97 8, 30| en de Here God ga voor u tot wraak over onze vijanden. 98 9, 1 | Judith riep met luider stem tot de Here, en zeide:~ 99 9, 2 | in zijn hand gegeven hebt tot wraak over de vreemden, 100 9, 2 | der maagd geopend hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot 101 9, 2 | en de dij ontbloot hadden tot schaamte, en de schoot bevlekt 102 9, 2 | de schoot bevlekt hadden tot schande, (want gij hadt 103 9, 2 | hetwelk hun bedrog gekend had, tot bloed, en hebt de knechten 104 9, 3 | hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren 105 9, 3 | gevangenis, en al de buit tot verdeling onder uw lieve 106 9, 3 | huns bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen, 107 9, 18| rede en mijn bedrog hun tot een wonde en striem worde, 108 10, 1 | toen zij ophield van roepen tot de God Israëls, en al deze 109 10, 4 | en versierde zich zeer, tot bedrog van de ogen der mannen, 110 10, 8 | 8 En zeiden tot haar: God, de God onzer 111 10, 8 | en volbreng uw aanslagen, tot roem van de kinderen Israëls 112 10, 9 | 9 En zeide tot hen: Beveelt dat mij de 113 10, 13| 13 En ik kom tot het aangezicht van Holofernes 114 10, 15| 15 En zij zeiden tot haar: Gij hebt uw leven 115 10, 15| gehaast hebt af te komen tot het aangezicht onzes heren. 116 10, 15| onzes heren. En nu, ga voort tot zijn tent, en enigen van 117 10, 16| harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk 118 11, 1 | 1 EN Holofernes zeide tot haar: Heb goede moed, vrouwe, 119 11, 3 | gij van hen gevloden en tot ons gekomen zijt, want gij 120 11, 3 | gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis; heb goede 121 11, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Neem de woorden uwer 122 11, 10| lastbeesten, en hebben besloten tot spijs te gebruiken al hetgeen 123 11, 11| Zij hebben ook voorgenomen tot spijs te gebruiken de eerstelingen 124 11, 19| het ene einde der aarde tot het andere einde, in schoonheid 125 11, 20| 20 En Holofernes zeide. tot haar: God heeft welgedaan, 126 12, 3 | 3 En Holofernes zeide tot haar: Maar wanneer het op 127 12, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Zo waarachtig als uw 128 12, 5 | in de tent, en zij sliep tot de middernacht; en zij stond 129 12, 6 | 6 En zij zond tot Holofernes, zeggende: Mijn 130 12, 6 | toelate dat zijn dienstmaagd tot het gebed uitga; en Holofernes 131 12, 8 | haar weg richten wilde, tot oprichting van de kinderen 132 12, 10| zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling, welke 133 12, 11| hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken, zij zal ons 134 12, 12| van Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone 135 12, 12| jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn heer te komen, om door 136 12, 12| verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, 137 12, 13| 13 En Judith zeide tot hem: Wie ben ik, die mijn 138 12, 14| mij een verheuging zijn, tot aan de dag mijns doods.~ 139 12, 15| van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, 140 12, 17| 17 En Holofernes zeide tot haar: Drink toch, en zijt 141 13, 4 | zeide, dat zij uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met 142 13, 6 | de werken mijner handen, tot verhoging Jeruzalems, want 143 13, 6 | mijn aanslag uit te voeren, tot verwondering der vijanden, 144 13, 13| En Judith zeide van verre tot degenen, die de wacht hadden 145 13, 15| allen tezamen van de minste tot de meeste, want het dacht 146 13, 17| 17 Maar zij sprak tot hen met luider stem:~ 147 13, 19| en toonde het, en zeide tot hen: Ziet hier het hoofd 148 13, 20| aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf, en hij heeft 149 13, 20| en hij heeft geen zonde tot bevlekking en schaamte met 150 13, 23| 23 En Ozias zeide tot haar: Gezegend zijt gij, 151 13, 24| heeft, die u geleid heeft tot verwonding des hoofds van 152 13, 25| kracht Gods zullen gedenken, tot in der eeuwigheid; en God 153 13, 25| eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en 154 14, 1 | 1 EN Judith zeide. tot hen: Hoort mij nu broeders, 155 14, 4 | zullen gelijkelijk lopen tot de tent van Holofernes, 156 14, 6 | veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft 157 14, 6 | en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; 158 14, 7 | zijner voorhuid, en werd tot het huis Israëls toegevoegd 159 14, 7 | huis Israëls toegevoegd tot op deze dag.~ 160 14, 8 | en vielen uit met benden tot aan de opgang des bergs, 161 14, 8 | haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,~ 162 14, 9 | 9 Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, 163 14, 9 | krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te 164 14, 9 | gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, 165 14, 9 | van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn 166 14, 10| op, want de slaven durven tot ons nederkomen in de krijg, 167 14, 15| haar niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die 168 15, 5 | op hen aan en sloegen hen tot Choba toe; desgelijks ook 169 15, 10| 10 En als zij tot haar inkwamen, zegenden 170 15, 10| allen eendrachtig, en zeiden tot haar:~ 171 16, 6 | en mijn jonge kinderen tot buit geven, en mijn maagden 172 16, 9 | klederen harer weduwschap uit, tot verhoging dergenen die benauwd 173 16, 19| voor u, en al het vette tot brandoffer is het allerminste, 174 16, 21| zij zullen door de pijn tot in eeuwigheid huilen.~ 175 16, 23| slaapkamer genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor de 176 16, 27| man Manasse gestorven, en tot zijn volk vergaderd was.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License