Chapter, Verse
1 1, 4 | fundament van de muren daarvan tot zestig ellen in de breedte.~
2 1, 5 | maakte haar poorten verheven tot de hoogte van zeventig ellen,
3 1, 5 | breedte van veertig ellen, tot de uittocht van zijn machtige
4 1, 5 | zijn machtige legers, en tot de ordeningen van zijn voetvolk.~
5 1, 6 | van Gilod kwamen tezamen tot die krijg.~
6 1, 7 | koning der Assyriërs, zond tot allen die in Perzië woonden,
7 1, 7 | die in Perzië woonden, en tot allen die tegen het westen
8 1, 8 | 8 Mitsgaders tot de volken van de berg Karmel,
9 1, 8 | Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, en het grote
10 1, 9 | 9 En tot allen die in Samaria waren,
11 1, 9 | die in Samaria waren, en tot hun steden, en over de Jordaan
12 1, 9 | steden, en over de Jordaan tot Jeruzalem toe, en Bethane,
13 1, 10| gebergte Tanis en Memfis, en tot allen, die in Egypte woonden,
14 1, 11| zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want zij vreesden
15 1, 14| 14 En kwam tot Ecbatana toe, en nam de
16 1, 14| haar sieraad maakte hij tot schande.~
17 1, 15| pijlen, en verdierf hem tot die dag toe.~
18 2, 4 | na hem was, en hij zeide tot hem:~
19 2, 5 | op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend
20 2, 5 | paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult
21 2, 5 | ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten
22 2, 5 | zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse
23 2, 5 | gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.~
24 2, 6 | gij zult hen overgeven tot de dood, en tot een roof
25 2, 6 | overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land;
26 2, 7 | telde uitgelezen mannen tot de krijg, gelijk hem zijn
27 2, 7 | hem zijn heer bevolen had, tot honderdentwintigduizend,
28 2, 8 | hij nam kemelen en ezelen tot hun bagage, een zeer grote
29 2, 8 | schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder getal.~
30 2, 15| hem wederstonden, en kwam tot aan de landpalen van Jafet,
31 2, 18| en allen die daar woonden tot Jemnaän; en die daar woonden
32 3, 1 | 1 EN zij zonden gezanten tot hem met woorden van vrede,
33 3, 6 | 6 En die mannen zijn tot Holofernes gekomen, en hebben
34 3, 8 | nam daaruit krijgsvolk aan tot zijn krijg, uitgelezen mannen.~
35 3, 12| en al hun geslachten hem tot een god aanroepen.~
36 4, 4 | waren, en beschikten koren tot voorraad van de krijg, overmits
37 4, 8 | de mannen Israëls riepen tot God met grote ernst, en
38 4, 13| eendrachtig en met ernst tot de God Israëls, dat hij
39 4, 13| jonge kinderen niet overgave tot een roof, en hun vrouwen
40 4, 13| een roof, en hun vrouwen tot buit, noch de steden hunner
41 4, 13| de steden hunner erfenis tot verwoesting, noch hun heiligdommen
42 4, 13| verwoesting, noch hun heiligdommen tot ontheiliging en smaad, de
43 4, 13| ontheiliging en smaad, de heidenen tot vreugde.~
44 4, 17| 17 En zij riepen tot de Here van ganser kracht,
45 5, 1 | kinderen Israëls zich bereiden tot de krijg, en dat zij de
46 5, 3 | 3 En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij
47 5, 5 | de kinderen Ammons, zeide tot hem: Mijnheer hoor toch
48 5, 9 | en zij zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun
49 5, 10| vernederde hen, en maakte hen tot slaven.~
50 5, 11| 11 En zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans
51 5, 17| zij dit gehele gebergte tot een erfenis ontvangen.~
52 5, 21| en de tempel huns Gods is tot de grond toe afgeworpen,
53 5, 22| 22 En nu bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen
54 5, 24| vóór hen zij, en wij zullen tot een smaad zijn voor het
55 5, 26| geen kracht is, noch macht tot een sterk heerleger.~
56 6, 1 | heerlegers der Assyriërs tot Achior, voor het ganse volk
57 6, 1 | ganse volk der uitlanders en tot alle kinderen Moabs:~
58 6, 5 | onder hun gekwetsten, als ik tot u zal wedergekeerd zijn.~
59 6, 8 | het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder
60 6, 9 | liggen, en keerden weder tot hun heer.~
61 6, 10| Israëls kwamen nederwaarts tot hem uit hun stad, en maakten
62 6, 12| de vrouwen liepen tezamen tot de vergadering. En zij stelden
63 7, 1 | en al zijn volk, hetwelk tot zijn hulp in deze krijg
64 7, 3 | de breedte naar Dothaïm tot Belthem toe, en in de lengte
65 7, 3 | lengte van onder Bethulië, tot aan Kyamon, hetwelk ligt
66 7, 4 | ontroerd, en de een zeide tot de ander: Deze zullen nu
67 7, 8 | 8 En tot hen kwamen al de oversten
68 7, 13| kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun
69 7, 13| zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken,
70 7, 13| ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten
71 7, 13| kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen
72 7, 13| met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij
73 7, 13| van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.~
74 7, 15| 15 En nu, roept hen tot u, en geeft de gehele stad
75 7, 15| geeft de gehele stad over tot buit aan het volk van Holofernes,
76 7, 16| worden, zo zullen wij hun tot knechten zijn, en onze ziel
77 7, 17| 17 Wij nemen tegen u tot getuigen de hemel en de
78 7, 18| vergadering, en zij riepen tot God de Here met luider stem.~
79 7, 19| 19 En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, broeders,
80 7, 19| wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet verlaten.~
81 8, 9 | goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin,
82 8, 10| 10 En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen:
83 8, 10| kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten
84 8, 14| de Here, onze God, niet tot gramschap. Want zo hij in
85 8, 16| wachten, en hem aanroepen tot onze hulp, en Hij zal onze
86 8, 20| dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een
87 8, 20| zullen tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen,
88 8, 20| zal niet gericht worden tot genade, maar de Here, onze
89 8, 20| de Here, onze God, zal ze tot oneer zetten.~
90 8, 24| door vuur beproefd heeft tot onderzoeking huns harten,
91 8, 24| degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.~
92 8, 25| 25 En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij gezegd
93 8, 27| 27 En Judith zeide tot hen: Hoort mij en ik zal
94 8, 27| doen, hetwelk van geslacht tot geslacht zal komen tot onze
95 8, 27| geslacht tot geslacht zal komen tot onze nakomelingen.~
96 8, 30| Ozias en de oversten zeiden tot haar: Ga in vrede, en de
97 8, 30| en de Here God ga voor u tot wraak over onze vijanden.
98 9, 1 | Judith riep met luider stem tot de Here, en zeide:~
99 9, 2 | in zijn hand gegeven hebt tot wraak over de vreemden,
100 9, 2 | der maagd geopend hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot
101 9, 2 | en de dij ontbloot hadden tot schaamte, en de schoot bevlekt
102 9, 2 | de schoot bevlekt hadden tot schande, (want gij hadt
103 9, 2 | hetwelk hun bedrog gekend had, tot bloed, en hebt de knechten
104 9, 3 | hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren
105 9, 3 | gevangenis, en al de buit tot verdeling onder uw lieve
106 9, 3 | huns bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen,
107 9, 18| rede en mijn bedrog hun tot een wonde en striem worde,
108 10, 1 | toen zij ophield van roepen tot de God Israëls, en al deze
109 10, 4 | en versierde zich zeer, tot bedrog van de ogen der mannen,
110 10, 8 | 8 En zeiden tot haar: God, de God onzer
111 10, 8 | en volbreng uw aanslagen, tot roem van de kinderen Israëls
112 10, 9 | 9 En zeide tot hen: Beveelt dat mij de
113 10, 13| 13 En ik kom tot het aangezicht van Holofernes
114 10, 15| 15 En zij zeiden tot haar: Gij hebt uw leven
115 10, 15| gehaast hebt af te komen tot het aangezicht onzes heren.
116 10, 15| onzes heren. En nu, ga voort tot zijn tent, en enigen van
117 10, 16| harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk
118 11, 1 | 1 EN Holofernes zeide tot haar: Heb goede moed, vrouwe,
119 11, 3 | gij van hen gevloden en tot ons gekomen zijt, want gij
120 11, 3 | gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis; heb goede
121 11, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Neem de woorden uwer
122 11, 10| lastbeesten, en hebben besloten tot spijs te gebruiken al hetgeen
123 11, 11| Zij hebben ook voorgenomen tot spijs te gebruiken de eerstelingen
124 11, 19| het ene einde der aarde tot het andere einde, in schoonheid
125 11, 20| 20 En Holofernes zeide. tot haar: God heeft welgedaan,
126 12, 3 | 3 En Holofernes zeide tot haar: Maar wanneer het op
127 12, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Zo waarachtig als uw
128 12, 5 | in de tent, en zij sliep tot de middernacht; en zij stond
129 12, 6 | 6 En zij zond tot Holofernes, zeggende: Mijn
130 12, 6 | toelate dat zijn dienstmaagd tot het gebed uitga; en Holofernes
131 12, 8 | haar weg richten wilde, tot oprichting van de kinderen
132 12, 10| zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling, welke
133 12, 11| hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken, zij zal ons
134 12, 12| van Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone
135 12, 12| jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn heer te komen, om door
136 12, 12| verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken,
137 12, 13| 13 En Judith zeide tot hem: Wie ben ik, die mijn
138 12, 14| mij een verheuging zijn, tot aan de dag mijns doods.~
139 12, 15| van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik,
140 12, 17| 17 En Holofernes zeide tot haar: Drink toch, en zijt
141 13, 4 | zeide, dat zij uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met
142 13, 6 | de werken mijner handen, tot verhoging Jeruzalems, want
143 13, 6 | mijn aanslag uit te voeren, tot verwondering der vijanden,
144 13, 13| En Judith zeide van verre tot degenen, die de wacht hadden
145 13, 15| allen tezamen van de minste tot de meeste, want het dacht
146 13, 17| 17 Maar zij sprak tot hen met luider stem:~
147 13, 19| en toonde het, en zeide tot hen: Ziet hier het hoofd
148 13, 20| aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf, en hij heeft
149 13, 20| en hij heeft geen zonde tot bevlekking en schaamte met
150 13, 23| 23 En Ozias zeide tot haar: Gezegend zijt gij,
151 13, 24| heeft, die u geleid heeft tot verwonding des hoofds van
152 13, 25| kracht Gods zullen gedenken, tot in der eeuwigheid; en God
153 13, 25| eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en
154 14, 1 | 1 EN Judith zeide. tot hen: Hoort mij nu broeders,
155 14, 4 | zullen gelijkelijk lopen tot de tent van Holofernes,
156 14, 6 | veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft
157 14, 6 | en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden;
158 14, 7 | zijner voorhuid, en werd tot het huis Israëls toegevoegd
159 14, 7 | huis Israëls toegevoegd tot op deze dag.~
160 14, 8 | en vielen uit met benden tot aan de opgang des bergs,
161 14, 8 | haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,~
162 14, 9 | 9 Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels,
163 14, 9 | krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te
164 14, 9 | gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes,
165 14, 9 | van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn
166 14, 10| op, want de slaven durven tot ons nederkomen in de krijg,
167 14, 15| haar niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die
168 15, 5 | op hen aan en sloegen hen tot Choba toe; desgelijks ook
169 15, 10| 10 En als zij tot haar inkwamen, zegenden
170 15, 10| allen eendrachtig, en zeiden tot haar:~
171 16, 6 | en mijn jonge kinderen tot buit geven, en mijn maagden
172 16, 9 | klederen harer weduwschap uit, tot verhoging dergenen die benauwd
173 16, 19| voor u, en al het vette tot brandoffer is het allerminste,
174 16, 21| zij zullen door de pijn tot in eeuwigheid huilen.~
175 16, 23| slaapkamer genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor de
176 16, 27| man Manasse gestorven, en tot zijn volk vergaderd was.~
|