Chapter, Verse
1 1, 9 | in Samaria waren, en tot hun steden, en over de Jordaan
2 2, 2 | groten bijeen, en hij stelde hun voor de verborgenheid van
3 2, 5 | met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd
4 2, 5 | een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend;
5 2, 5 | overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien
6 2, 5 | en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen,
7 2, 5 | overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en
8 2, 5 | vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de
9 2, 5 | uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en zij
10 2, 5 | die bewaren tot de dag van hun bestraffing.~
11 2, 8 | nam kemelen en ezelen tot hun bagage, een zeer grote menigte;
12 2, 8 | schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder getal.~
13 2, 11| lands tegen het westen met hun wagenen, en ruiters, en
14 2, 11| hen niet tellen vanwege hun menigte.~
15 2, 16| van Midian, en verbrandde hun woonhutten, en beroofde
16 2, 16| woonhutten, en beroofde hun stallingen,~
17 2, 17| tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en
18 2, 17| verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij
19 2, 17| vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande
20 2, 17| plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en
21 2, 17| wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte
22 3, 10| 10 En hij verstoorde al hun landpalen en hieuw hun bossen
23 3, 10| al hun landpalen en hieuw hun bossen af.~
24 3, 12| dienen, en alle tongen, en al hun geslachten hem tot een god
25 4, 1 | en op wat wijze hij al hun tempels beroofd en deze
26 4, 4 | En zij maakten muren om hun vlekken, die daarop waren,
27 4, 4 | voorraad van de krijg, overmits hun velden kort tevoren afgemaaid
28 4, 7 | binnen Jeruzalem woonden, hun bevolen hadden.~
29 4, 8 | ernst, en verootmoedigden hun zielen met grote ernst,
30 4, 8 | met grote ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen,
31 4, 8 | ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen, en hun
32 4, 8 | hun kleine kinderen, en hun beesten.~
33 4, 9 | inwoners, en huurlingen, en hun lijfeigenen deden zakken
34 4, 9 | lijfeigenen deden zakken aan hun lendenen.~
35 4, 11| 11 En bestrooiden hun hoofden met as, en spreidden
36 4, 11| hoofden met as, en spreidden hun zakken uit voor het aanschijn
37 4, 13| God Israëls, dat hij toch hun jonge kinderen niet overgave
38 4, 13| overgave tot een roof, en hun vrouwen tot buit, noch de
39 4, 13| erfenis tot verwoesting, noch hun heiligdommen tot ontheiliging
40 4, 14| 14 En de Here verhoorde hun stem, en zag hun verdrukking
41 4, 14| verhoorde hun stem, en zag hun verdrukking aan.~
42 4, 16| en die de Here dienden, hun lendenen met zakken omgord
43 4, 16| des volks, en as was op hun haar.~
44 5, 3 | bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin hun
45 5, 3 | hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat,
46 5, 3 | en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat
47 5, 3 | die een leidsman is van hun leger.~
48 5, 8 | vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat zij
49 5, 8 | zouden gaan uit het land van hun vreemdelingschap, en reizen
50 5, 9 | tot een grote menigte, en hun geslacht was ontelbaar.~
51 5, 11| 11 En zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans Egypteland
52 5, 11| Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.~
53 5, 15| Esebonieten uitgeroeid door hun sterkte.~
54 5, 18| En zij verdreven van voor hun aangezicht de Kanaäniet,
55 5, 19| zij niet zondigden tegen hun God ging het hun wel; want
56 5, 19| zondigden tegen hun God ging het hun wel; want met hen is een
57 5, 20| zijn van de weg, die hij hun had voorgesteld, zijn zij
58 5, 21| grond toe afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen door
59 5, 21| steden zijn ingenomen door hun vijanden.~
60 5, 22| En nu bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen
61 5, 22| zijn zij wedergekomen uit hun verstrooiing, waarheen zij
62 5, 22| Jeruzalem nedergezet, waar hun heiligdom is, en hebben
63 5, 23| en zo zij zondigen tegen hun God, en zo wij bemerken
64 5, 24| geen ongerechtigheid onder hun volk is, zo ga, mijn heer,
65 5, 24| heer, hen voorbij, opdat hun Here hen niet mogelijk bescherme,
66 5, 24| niet mogelijk bescherme, en hun God vóór hen zij, en wij
67 6, 2 | zouden beoorlogen, omdat hun God hen zal beschermen,
68 6, 3 | aanschijn des aardbodems, en hun God zal hen niet verlossen,
69 6, 4 | 4 En hun bergen zullen dronken worden
70 6, 4 | zullen dronken worden in hun bloed, en hun vlakke velden
71 6, 4 | worden in hun bloed, en hun vlakke velden zullen vervuld
72 6, 4 | zullen vervuld worden met hun doden, en niet een voetstap
73 6, 5 | en gij zult vallen onder hun gekwetsten, als ik tot u
74 6, 6 | stellen in een der steden van hun opgangen, en gij zult niet
75 6, 8 | des bergs zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten
76 6, 8 | slinger wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen
77 6, 9 | liggen, en keerden weder tot hun heer.~
78 6, 10| nederwaarts tot hem uit hun stad, en maakten hem los,
79 6, 11| hem voor de oversten van hun stad, welke op die tijd
80 6, 12| oudsten der stad bijeen, en al hun jongelingen, en de vrouwen
81 6, 12| Achior in het midden van al hun volk, en Ozias vraagde wat
82 6, 13| antwoordende, verhaalde hun de woorden van de raad van
83 6, 15| gij God des hemels, zie op hun hoogmoed, en ontferm u over
84 7, 2 | onder hen op in die dag. En hun macht van strijdbare mannen
85 7, 4 | kinderen Israëls nu als zij hun menigte zagen, werden zeer
86 7, 5 | 5 En zij namen al hun wapenen en ontstaken vuren
87 7, 5 | wapenen en ontstaken vuren op hun torens, en bleven die gehele
88 7, 9 | Israëls verlaat zich niet op hun spiesen, maar op de hoogte
89 7, 9 | spiesen, maar op de hoogte van hun bergen, waarin zij wonen,
90 7, 9 | niet licht de spitsen van hun bergen te beklimmen.~
91 7, 10| in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en alzo zal
92 7, 10| dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en
93 7, 10| versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen,
94 7, 10| honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard
95 7, 10| hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat
96 7, 11| 11 En deze hun woorden behaagden Holofernes,
97 7, 12| trokken voort, en sloegen hun leger in het dal, en namen
98 7, 12| Ammons klommen op, en sloegen hun leger op het gebergte tegenover
99 7, 12| aangezicht des lands, en hun tenten, en hun andere toerustingen
100 7, 12| lands, en hun tenten, en hun andere toerustingen legerden
101 7, 13| Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd
102 7, 13| tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig,
103 7, 13| werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden
104 7, 13| daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele
105 7, 13| gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten, wagenen en
106 7, 13| inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en
107 7, 13| voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate.
108 7, 13| drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten,
109 7, 13| kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken
110 7, 14| ons, maar God heeft ons in hun handen gegeven, dat wij
111 7, 14| handen gegeven, dat wij voor hun ogen moeten neergeveld worden
112 7, 16| het is ons beter, dat wij hun ten roof worden, zo zullen
113 7, 16| roof worden, zo zullen wij hun tot knechten zijn, en onze
114 7, 20| naar de muren en torens van hun stad heengegaan; en hij
115 7, 20| vrouwen en kinderen naar hun huizen gezonden en zij waren
116 8, 9 | hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over
117 8, 21| geven, want van ons hangt hun leven af, en het heiligdom,
118 8, 25| zouden volgens hetgeen wij hun beloofd hebben, en dat wij
119 8, 30| tent, en gingen heen naar hun bestemde krijgsordeningen.~
120 9, 2 | gedaan hadden, waarom gij hun oversten hebt gegeven om
121 9, 2 | om gedood te worden, en hun leger, hetwelk hun bedrog
122 9, 2 | worden, en hun leger, hetwelk hun bedrog gekend had, tot bloed,
123 9, 2 | geweldigen, en de geweldigen op hun tronen.~
124 9, 3 | 3 En hebt hun vrouwen gegeven tot een
125 9, 3 | gegeven tot een roof, en hun dochteren in gevangenis,
126 9, 6 | zijn vermenigvuldigd in hun heerleger, zij zijn hoogmoedig
127 9, 6 | zij zijn hoogmoedig op hun paarden en ruiters, en roemen
128 9, 6 | en roemen op de arm van hun voetvolk. Zij hopen op hun
129 9, 6 | hun voetvolk. Zij hopen op hun schilden en lansen, en bogen,
130 9, 7 | 7 Breek gij hun geweld met uw kracht, en
131 9, 7 | geweld met uw kracht, en sla hun sterkte ter neder in uw
132 9, 10| 10 Zie op hun hoogmoed.~
133 9, 11| 11 Zend uw toorn over hun hoofden,~
134 9, 14| 14 Breek hun hoogmoed door de hand ener
135 9, 18| mijn rede en mijn bedrog hun tot een wonde en striem
136 11, 7 | gekregen hebben, en hij heeft hun aangezegd alles wat hij
137 11, 8 | niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd hebben.~
138 11, 9 | zou zijn, zo is de dood hun over het aanschijn gevallen,
139 11, 9 | ingenomen, waardoor zij hun God zullen vertoornen, zo
140 11, 10| 10 Want dewijl hun de spijs ontbroken heeft,
141 11, 10| beraadslaagd de hand te slaan aan hun lastbeesten, en hebben besloten
142 11, 10| hetgeen God in zijn wetten hun verboden heeft te eten.~
143 11, 12| hetzelfde hebben gedaan), die hun zouden overbrengen de toelating
144 11, 12| het zal geschieden, als hun dit zal geboodschapt zijn,
145 11, 13| dit alles wetende, ben van hun aangezicht gevloden, en
146 11, 14| verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan hebben;
147 13, 2 | En zij gingen heen naar hun bedden, want zij waren allen
148 13, 14| haastten om af te komen naar hun stadspoort, en zij riepen
149 13, 15| de meeste, want het dacht hun vreemd, dat zij kwam en
150 14, 3 | 3 En zij zullen hun wapenen nemen, en naar hun
151 14, 3 | hun wapenen nemen, en naar hun legers heentrekken, en zullen
152 14, 5 | zult hen nedervellen in hun wegen.~
153 14, 6 | een stem van vreugde in hun stad.~
154 14, 8 | alle mannen Israëls namen hun wapenen, en vielen uit met
155 14, 8 | zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,~
156 14, 9 | 9 Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels,
157 14, 16| hoorden, zo scheurden zij hun klederen, en hun ziel werd
158 14, 16| scheurden zij hun klederen, en hun ziel werd zeer beroerd.~
159 14, 17| 17 En hun geschrei en geroep werd
160 15, 5 | gebergte, want zij boodschapten hun wat het leger van hun vijanden
161 15, 5 | boodschapten hun wat het leger van hun vijanden overkomen was.~
162 15, 9 | Israëls, die te Jeruzalem hun woning hadden, kwamen om
163 15, 15| kransen, en met lofzangen in hun monden.~
164 16, 5 | verstopte de waterbeken, en hun ruiterij bedekte de heuvelen.~
165 16, 8 | 8 Want hun machtige is niet gevallen
166 16, 13| geworden; die verhieven hun stem, en zij zijn teruggekeerd.~
167 16, 18| zullen uit de fundamenten met hun wateren bewogen worden,
168 16, 21| Hij zal vuur en wormen in hun vlees geven, en zij zullen
169 16, 22| gereinigd was, offerden zij hun brandofferen en hun gewillige
170 16, 22| zij hun brandofferen en hun gewillige offeren, en hun
171 16, 22| hun gewillige offeren, en hun gaven.~
|